John Toxopeus
7 titels in de boekenbase · Auteur · Redacteur · 2012–2019
Over John Toxopeus
John Toxopeus staat met 7 titels in de boekenbase als auteur en redacteur. Bekend van de serie ‘Tafelen Met De Franse Slag’. Het werk valt vooral onder literaire fictie algemeen, literaire roman, novelle en verhalenbundels. Verschenen tussen 2012 en 2019 bij Brouwerij, Uitgeverij De en HaEs producties. Over het werk verschenen 5 recensies.
Mijn vrijstad Vianen in waterverhalen
John Toxopeus
Mijn vrijstad Vianen in waterverhalen
John Toxopeus
Hardback · 2019
Intiemer kunnen we niet
John Toxopeus
€ 10,00
Zo zien de mensen het graag
John Toxopeus
€ 9,00
Wie de jeugd heeft kan wel janken
John Toxopeus
€ 18,95
We doen of er niets aan de hand is
John Toxopeus
€ 18,95
Desnoods met harde hand
John Toxopeus
€ 17,50
020
John Toxopeus
020
John Toxopeus
Paperback · 2012
Over het werk gezegd
John Toxopeus, We doen of er niets aan de hand is. Verhalenroman, Maassluis 2014 (De Brouwerij) John Toxopeus schreef een boek over zijn vijfentwintigjarige loopbaan als vakbondsbestuurder. In die periode rondde hij ook een studie arbeids- en organisatiepsychologie af, wat aangeeft dat zijn interesse in zijn werk diepgaand was. Het merendeel van de mensen met wie hij in zijn werkkring te maken kreeg had die interesse niet. Dat maakt van de hoofdpersoon van het boek, zijn alter-ego, een outsider en een kritisch waarnemer en beoordelaar van menselijk geploeter en gerommel. In het voorwoord maakt Toxopeus ons wijs dat de personages zijn vervormd, de gebeurtenissen verdraaid en dat we in het boek niet naar waarheid hoeven te zoeken. Ik geloof daar niets van. Toxopeus schildert het vaak ondankbare vakbondswerk en de voor het merendeel hulpeloze bestuurders zoals hij ze ziet, als taferelen en personages in een klucht. De spottende toon treft geen verzinsels, geen fictie, maar de realiteit. Dat bewijzen de nauwgezette beschrijvingen van plaatsen en gebeurtenissen en de weergaven van uitspraken die niet anders dan citaten kunnen zijn: ‘We hadden afgesproken in de stationsrestauratie. “U herkent mij wel aan mijn koffer,” zei Karel van Oostveen. “Oké,” zei ik, terwijl ik geen idee had wat hij bedoelde.”‘ De gebeurtenissen die Toxopeus beschrijft zijn hilarisch, soms ook tragi-komisch. De humor zit hem al in de kaalheid van de beschrijvingen. Toxopeus’ humor is droog. Sommige passages roepen niet de fijne glimlach op zoals het bovengeciteerde fragment, maar een zekere meewarigheid of droefenis. Zoals de beschrijving van het overleg tussen de hoofdpersoon en de directeur van sociale zaken van Philips, Vuursteen. “Natuurlijk kunt u met ons praten over een cao,” zei Vuursteen. Wij respecteren dat recht. Echter, vergeet niet dat u te maken hebt met een internationaal concern dat op moet boksen tegen multinationals uit Japan en Zuid-Korea. Vergeet u vooral niet dat dit,” hij wees met zijn duim naar het raam achter zich,”iets anders is dan een boerenbedrijf. Ik zal zorgen dat u gebeld wordt over vergaderdata en een actueel pakket krijgt toegestuurd met arbeidsvoorwaardelijke regels die wij hanteren. Uw bezoek heb ik erg op prijs gesteld.”‘ Hier wordt de vakbondsman weggezet. Kaltgestellt. Vernietigd. Verderop in het boek komt Vuursteen terug. “Zo leeft u nog?” zei iemand in mijn oor. Ik voelde een hand op mijn rug. Hij gaf mij een hand en kneep Jonathan in zijn schouder. “En, kom jij later bij ons werken?” Hij vroeg wat ik tegenwoordig deed en ik vertelde over de gemoedelijke sfeer in de horeca. Hij glimlachte en zei dat hij volgend jaar met pensioen ging en eindelijk tijd had voor kerkenwerk en zijn tuin “Luister maar goed naar je vader,” zei hij tegen Jonathan en boog zich voorover. “Je vader is een van de besten.” […] Ik at met Jonathan pannenkoeken langs de snelweg. […] “Dat was een aardige meneer, hè pappa?” “Nu misschien wel,” zei ik, “maar hij is vroeger heel brutaal tegen mij geweest.” “Echt?” “Nou en of. Ik was toen bijna mijn werk kwijt.” “Echt waar? Dan was je zeker wel heel erg boos.” “Ja, boos en verdrietig.” “Moest je ook huilen?” “Ja, ik moest ook wel een beetje huilen.” “Dan ga ik daar later niet werken.”‘ Een vleugje Elsschot. En net als bij deze Vlaming de running gags (de schoonvader die het werk van de hoofdpersoon telkens weer kleineert) en de slapstick: ‘Na het linedansen trok in aan tafel mijn schoenen uit en schoof ze onder de stoel. Ik rook het leer en mijn warme voeten. Een zware, zoete lucht die mij deed denken aan de champignonkwekerij die ik een keer had bezocht. Daar lag overal paardenmest. Te laat merkte ik dat de directeur van het Onderwijscentrum een staatssecretaris kwam voorstellen aan iemand die bij ons aan tafel zat. Daarna liep hij bij ons langs. Tijd om mijn schoenen aan te trekken had ik niet meer. Ik stond op, schudde handen en voelde me ineens belachelijk klein. Ik zei dat we opnieuw erg hadden genoten. “Misschien hebben ze niks gemerkt,” zei ik tegen mijn vrouw.” Ze zei dat ik dat nog wel zou horen.’
Cor Gout — Extaze · over We doen of er niets aan de hand is
Een jongetje is vanwege open tbc opgenomen in ‘Paviljoen 10’. Afgesneden van de buitenwereld en het grootste deel van zijn familie. Maar hij herstelt en kan het gewone leven weer oppakken. Hij groeit op, wordt volwassen en zet zijn verhaal op schrift. ‘Wie de jeugd heeft kan wel janken’ is het derde boek van auteur John Toxopeus. Ik ken hem van zijn eerdere verhalenbundel ‘Desnoods met harde hand’. Intelligente, bizarre verhalen die bleven boeien. Ik was dan ook benieuwd naar dit nieuwe boek met intrigerende titel. In deze autobiografische roman vertelt Toxopeus over zijn jeugd. Zijn verblijf in het sanatorium, maar ook over het gezinsleven waar steeds meer barsten in verschijnen. Zijn reis naar volwassenheid en zijn eerste werkervaringen. Het verhaal speelt in de jaren ‘50/’60. Voor mij geen persoonlijke herkenning in deze, maar ik vond het wel interessant om te lezen over de tijd waarin mijn moeder opgroeide en die ik dus een beetje ken door haar verhalen. John Toxopeus heeft een scherpe pen, dat wist ik al van zijn andere boek. Ook in dit verhaal zie je dat duidelijk terug. Ingetogen humor, zelfspot, maar ook emotie. Vooral zijn beschrijvingen over het twee jaar durende sanatoriumverblijf waren raak en indrukwekkend. Als een film zag ik dat jongetje liggen, wachtend op zijn vader die niet kwam… Verlangend naar zijn broer en zus, die ook niet naar binnen mochten… Wat mij betreft had het hele boek wel over die periode en de gevolgen daarvan op de rest van zijn leven mogen gaan. “Mijn moeder was er iedere dag. Mijn vader kwam nooit. Aan de overkant van het water heb ik mijn broer en zus een keer zien staan. Ze mochten niet naar binnen vanwege besmettingsgevaar.” ‘Wie de jeugd heeft kan wel janken’ is geschreven in een zeer nuchtere stijl, zonder poespas. Over zijn ziekte vertelt de auteur zonder zelfmedelijden. Ook het huwelijk van zijn ouders en het effect daarvan op het gezin wordt droog en nuchter gebracht. De bijbehorende gevoelens en emoties lees je eigenlijk tussen de regels door. Ik zag een opgroeiende jongen, die last heeft van de sfeer thuis. Die veel moeite heeft met de ruzies tussen vader en moeder. Een jongen voor wie zijn plek in het gezin toch al niet vanzelfsprekend was door zijn lange verblijf in het sanatorium. Een jongen die aan de ene kant betutteld en vertroeteld wordt vanwege zijn medische achtergrond, waarover met name moeder lang bezorgd blijft, maar die aan de andere kant niet gezien wordt in het gezin. “Als mijn vader en moeder ruzie maakten, ging ik onder de kapstok zitten en huilde met lange uithalen, net zo lang tot iemand me kwam troosten.” Conclusie: autobiografisch verhaal, geschreven met humor, zelfspot en een scherpe pen. ***
Monique Dijkgraaf — Wie schrijft blijft · over Wie de jeugd heeft kan wel janken
Werkte samen met