← Catalogus

Sybe Bakker

1 titel in de boekenbase · Auteur · 2010
Literatuurgeschiedenis van de lage landen
Over Sybe Bakker
Sybe Bakker staat met 1 titel in de boekenbase als auteur. Het werk valt vooral onder literatuurgeschiedenis van de lage landen. Verschenen in 2010 bij Uitgevershuis H.N. Werkman. Over het werk verschenen 5 recensies.
Over het werk gezegd
Letterlijk tientallen psalmberijmingen beschrijft drs. A. Ros in zijn boek Davids soete lier. Er ontbreekt in elk geval één liedbundel: die werd (her)ontdekt door de Groningse neerlandicus Sybe Bakker. Bakker is een spil in het team van vrijwilligers dat, onder leiding van taalhistorica dr. Nicoline van der Sijs, oude teksten overtypt en op internet zet. Ze begonnen met de Statenvertaling van 1637. Onlangs bundelde Bakker zijn inleidingen bij vijf psalmberijmingen uit de zestiende tot de achttiende eeuw tot een mooi boekje. Luther maakte berijmingen van psalmen in de volkstaal. Alleen al uit de zeventiende eeuw beschrijft Ros 59 verschillende psalmberijmingen. Er is eigenlijk maar één verklaring voor dat enorme aantal, denkt Sybe Bakker: onvrede met de dominante berijming van Datheen. Dominee Petrus Datheen, volgeling van Calvijn, maakte in 1566 een integrale berijming van het psalmboek, op de melodieën die zijn leermeester in Genève ook gebruikte. Nou ja, berijming... Datheen telde lettergrepen, en als zijn lettergrepen overeenkwamen met het aantal noten, was hij tevreden. Het bijna vlekkeloze muzikale gevoel van psalmberijmer Philips Marnix van Sint Aldegonde was ook in zijn tijd uniek, in alle andere psalmberijmingen komen metrische draakjes voor, maar Datheen maakt het wel veruit het bontst. Bakker: 'Alle argumenten voor of tegen Datheen waren overbodig: Datheen had de loop der geschiedenis naar zijn hand gezet.' Er wás overigens al sinds 1540 een complete Nederlandse psalmberijming op de markt: de Souterliedekens, vermoedelijk gemaakt door Willem van Zuylen van Nijevelt. De psalmen van deze Utrechtse edelman waren zelfs nogal populair, vooral onder de jeugd. Maar zijn berijming had een nadeel: de melodieën. De Souterliedekens zijn op straatwijsjes berijmd. Ros deelt de voorkeur van de synode voor de Geneefse melodieën: de kerk moet internationaal herkenbaar zijn, niet alleen in de zuivere leer, maar als het kan ook in de zang. Opnieuw brengt Bakker een - ditmaal klein - bezwaar in: 'Het strikte onderscheid tussen amusementsmuziek en kerkmuziek is van Calvijn. Ik ben het niet met hem eens. Niet een op een in elk geval. Je kunt een melodie niet voor kerkelijk gebruik veroordelen omdat hij ook in een ander kader functioneren kan. Calvijn had wel gelijk in zijn opvatting dat beide, zowel de melodie als de tekst, kwaliteit moeten hebben.' En nu de vondst van Bakker. Een jaar of tien geleden las hij in een paar Duitstalige blaadjes uit het begin van de twintigste eeuw, dat er een Nedersaksische vertaling moet zijn geweest van liederen van Marnix. Die had een fraaie psalmberijming gemaakt - beduidend beter dan die van Datheen, maar... nou ja - en zijn liederen waren kennelijk zelfs een keer in het buitenland terechtgekomen, aan het hof van graaf Enno III van Oost-Friesland. Er zouden nog twee exemplaren van bestaan, een in een bibliotheek in Bremen, en een in een bibliotheek in Leipzig. Niet dus. Beide exemplaren waren verdwenen, ontdekte Bakker bij navraag. 'Verschleppt', dus in de Tweede Wereldoorlog door het Russische leger meegenomen en nu onvindbaar geworden. Maar Bakker besloot dat nieuwe medium maar eens te gebruiken. En internet leerde hem dat er nog een derde exemplaar bestond, volkomen vergeten, in de universiteits- bibliotheek in Utrecht. 'Het is een opmerkelijke verzameling. De psalmen in het boek zijn Nedersaksische vertalingen van die van Lobwasser, zeg maar de Duitse Datheen. Daarnaast zijn de berijmingen vertaald die de calvinist Marnix maakte van andere liederen uit de Bijbel'. Opmerkelijk is, zegt Bakker, dat hierin veel vrouwenstemmen te beluisteren zijn, zoals die van Mirjam, Debora, Hanna en Maria. Verder was er een aantal lutherse liederen in het liedboek opgenomen. Die vermenging van lutherse en calvinistische invloeden was niet vanzelfsprekend, weet Bakker. 'Graaf Enno had er waarschijnlijk een politiek doel mee. Maar buiten zijn eigen hofkapel zijn ze waarschijnlijk nooit gezongen. Voor dat ideaal was men nog niet rijp. De berijming is gemaakt door een predikant uit Emden. Die stad was in die tijd zo gereformeerd als wat. De dominee moet een bredere blik gehad hebben, maar hij kon het boek niet in Emden laten drukken. Dat gebeurde noodgedwongen in Bremen, net over de grens van het graafschap.' Diezelfde controverse tussen Luther-aanhangers en kinderen van Calvijn voorkwam bij meer psalmberijmingen een doorbraak op grote schaal. Willem van Haecht maakte er een in 1579, maar wist toen al dat hij niet op gebruik over de grenzen van zijn geloofsgemeenschap hoefde te hopen. Hij gebruikte 150 nieuwe melodieën, en niet die uit het psalmboek van de calvinisten. De lutheranen hebben Van Haechts bundel goed gebruikt, maar zij vormden een kleine minderheid. Bakker: 'Van Haecht heeft het gewoon met hebben, Luther verloren in onze contreien. De verhouding tussen lutheranen en calvinisten was zo gespannen. Al vlak voor de Beeldenstorm in Antwerpen wordt er verteld van een protestantse dienst in een kerk net buiten de muren van de stad. De lutheranen zitten te zingen, en op zeker moment gaan de calvinisten hun psalmen er dwars doorheen zingen. "Men zag de haat", schrijft een ooggetuige.' Gezangen Die verstarring van de verhoudingen had zijn weerslag op de psalmberijmingen, signaleert Bakker. Achteraf komt het al opvallend 'vrij' over dat Marnix die 22 Bijbelliederen opnam. Maar volgens Bakker volgt hij daarmee de inzichten van Calvijn. 'Die nam bij zijn eerste psalmen in 1537 ook al drie gezangen op. Maar Calvijns psalmboek was in 1562 af, en twee jaar later overleed hij. Toen is dat psalmboek zo'n instituut geworden dat het zingen van andere liederen in de calvinistische traditie haast taboe werd.' Als argument voor die stelling voert Bakker aan dat Beza, de leermeester van Marnix, ook meerdere cantica berijmde en in een apart bundeltje opnam. Daarvan bevindt zich het enig overgebleven exemplaar overigens nu in de bibliotheek van de Theologische Universiteit in Kampen (Broederweg). 'Beza deed dat vier, vijf jaar na Marnix. Zij hadden kennelijk goed begrepen dat dit in de lijn van Calvijn lag. Maar de 'calvinisten' dachten er anders over. Een liedcultuur met gezangen kwam bij de gereformeerden nooit echt van de grond, in Nederland niet en in Frankrijk ook niet.' Die eenzijdigheid trekt sporen tot in het heden door, ziet Bakker. 'De Herziene Statenvertaling bijvoorbeeld. Waarom heet die de Herziene Statenvertaling? Amper twintig procent van de woorden is nog gelijk gebleven. Sommige woorden zijn zo gemoderniseerd, dat ze tot voor kort alleen maar in Groot Nieuwsachtige vertalingen stonden. Het is kerkelijke tactiek, denk ik. Zo houden de gelovigen een vertrouwd idee bij een nieuwe vertaling.' Niet voor niets heeft Bakker in zijn boek de berijming van Johan de Brune uit 1644 gezet tegenover die van Jacob Westerbaen uit 1655. De Brune maakte een berijming die niet rijmde, die dankzij rigide afbreking- en razend dicht op de vertaling bleef aansluiten. Een voorbeeld uit psalm 68,14: Al laeght ghy-lieden tusschen twee Rijghen van steen soo wierdt ghy als Vleughelen eener duyve, Ghelijck met Silver overdeckt, Ende welcker vederen zijn Met uit-gesneden gheel gout. Bakker legde hem naast de Statenvertaling, en ontdekte dat De Brune deze woordelijk volgt. 'Hij heeft slechts het aantal lettergrepen van de zes regels van zijn bewerking aangepast aan het aantal noten van de melodie.' De Zeeuwse kerken waren onder de indruk van de Schriftgetrouwheid van De Brune, en zelfs de gezaghebbende theoloog Voetius was enthousiast. De Provinciale Staten van Holland en West-Friesland hebben invoering ervan in 1650 zelfs op de agenda gezet. Maar Jacob Westerbaen, een Haagse arts die zich na een huwelijk met de schatrijke regentendochter Anna Weytsen helemaal kon wijden aan de letteren, kon niet leven met de 'rymeloose regelen' van De Brune. 'Wat is doch een gedicht daer geen geest in is? Verschaelde en verwaeyde wijn is smaeckeloos en ongheacht bij den geenen die den frisschen en rijsenden wijn kennen, die de hersenen en het hert verquickt en ontvonckt als men maer sijn neus in het glas steeckt.' Die levenslust spreekt ook uit Westerbaens psalmberijming. Voor de goede vergelijking dezelfde tekst als De Brune, psalm 68,14, maar nu bij Westerbaen: Soo sult gy nochtans blincken, als De veertjes van een duive-hals Die in de Son ons schijnen Te sijn van silver en van goud Gemenght met oostersch Ameroud (= mozaïek) En gloeyende robijnen. Bakkers keuze is snel gemaakt. 'Dat van De Brune, dat is heel vreemd gedoe. Het is revolutionair zoals hij de Bijbeltekst trouw blijft, maar de afbrekingen zijn heel vreemd. Strofische melodieën vragen om rijm. De Brunes berijming is ingegeven door verafgoding van de Statenbijbel. Als je die maar volgt, is het altijd goed. Maar hij vergeet dat je deze tekst niet op zijn manier bij die melodie kunt brengen, dat bestáát gewoon niet. Hij haalt twee dingen door elkaar.' Maar het zit bij Bakker niet alleen vast op de anti-kunstzinnige gevolgen. Het is vooral de geest van De Brune die hem doet huiveren. 'Hij haalt Marnix rechts in. Marnix ging ook heel ver in zijn tekstgetrouwheid, maar bleef poëtisch, muzikaal. De Brune vond dat je met rijm de zangers vervreemdt van het zuivere woord van God. Daar zit geen millimeter rek in.' Rek zit er in Westerbaen duidelijk meer. 'Westerbaen was een vrije vogel. Zijn berijming is heel speels, daar zit leven in.'
Rien van den Berg — Nederlands Dagblad · over 'Van U komt, HEER, het loflied dat ik zing'