Brieven aan Esther
A.Y.Y. Grunberg
Brieven aan Esther facsimile. Gelimiteerde editie, gesigneerd en genummerd door de auteur.
E.A. Krop bewerker
Hardback80 pagina’sNederlands
Recensies
Begin jaren ’90 worden Arnon Grunberg en Esther Krop door een wederzijdse kennis aan elkaar voorgesteld. Grunberg is een verwoed brievenschrijver, hij wil schrijver worden. Esther studeert aan de kunstacademie in Enschede. Na hun kennismaking corresponderen zij bijna anderhalf jaar met elkaar. Deze briefwisseling is nu in boekvorm verschenen. Bij het lezen word je meteen ondergedompeld in het wel en wee van Arnon Grunberg en Esther Krop, en opgenomen in de leefsfeer en denkwijze van Grunberg, alsof je in een studentendispuut zit waar men als vrienden, concurrenten, studiegenoten, jonge adolescenten elkaar de les leest, elkaars ambities, levensbeschouwingen en karakters aftast en analyseert en bekritiseert. Grunberg schrijft helder, direct en persoonlijk, hij neemt zichzelf en zijn schrijverschap serieus als ‘vak’ maar blijft het min of meer (naargelang het hem uitkomt) zien als een spel, met gebruik van humor, ironie en manipulatie. Hij beschrijft zijn angst, zijn destructieve gevoelens, zijn leugens, kortom alle ambivalenties van een zoekende adolescent. Hoewel we geen brieven vàn Esther lezen, krijgen we toch een goed beeld van haar ideeën over haar leven, ambities en idealen in de kunst. De brieven gaan aanvankelijk over het dagelijks leven van beiden. Grunberg is geïnteresseerd in haar studie, haar werkstukken, wat ze doet en hoe ze denkt. Hij geeft openhartig weer hoe hij denkt over ‘het leven’. Hij schrijft haar over zijn ontluikend inzicht in karakters, zijn cynisme, zijn leugenachtigheid, zijn angst voor het leven, zijn schrijfambitie en talent. In het begin is Grunberg aardig en complimenteus en zijn de brieven hartelijk van toon. Later verandert dit. Hij krijgt steeds meer kritiek op de gevoelens van Esther en de manier waarop zij zich uitdrukt. Hij neemt hierbij geen blad voor de mond. Als lezer vraag je je af waarom Grunberg zo doet. Vanwaar het dédain waarmee hij Esther benadert als hij reageert op de gebeurtenissen die ze meemaakt? Kwetsend, soms vergoelijkend, maar vaak meedogenloos. Wat wil hij hiermee? Is hij zijn schrijverschap, al filosoferend en oordelend over levenszaken aan het oefenen? Ziet hij de correspondentie als vingeroefeningen voor zijn carrière? Hij is het meestal oneens met de opvattingen en denkwijze van Esther. Het is wel duidelijk dat deze jonge, zoekende volwassenen zich op verschillende manieren ontwikkelen. Ze zijn totaal verschillend van karakter en hebben geen enkele overeenkomst in hun opvattingen en kijk op het leven. De onverenigbaarheid van karakters leidt tot een einde van de briefwisseling. Maar dat hij kan schrijven staat wel vast. Grunberg begint hier zijn beoogde carrière met brieven voor de eeuwigheid. 18 Jaar later is zijn lijst van gepubliceerde werken indrukwekkend. Deze uitgave in 2011 is dan ook een fenomenale zet van Esther Krop, inmiddels grafisch vormgeefster. De door haar in 2009 opgerichte uitgeverij heeft contact gezocht met Grunberg om de door haar bewaarde brieven uit te geven. Het is een bijzondere samenwerking met Grunberg geworden met als resultaat dit boek, Brieven aan Esther. Een unieke uitgave, waarin persoonlijke gebeurtenissen en ontwikkelingen in groei naar volwassenheid van zowel schrijver als uitgever in elkaar verstrengeld zijn . Brieven aan Esther Auteur: Arnon Grunberg Redactie: Ingrid Commandeur Verschenen bij: Alauda Publications Aantal pagina’s: 84 Prijs: € 13,50
Ria van Rheenen — Literair Nederland — 29 augustus 2011
Brieven aan Esther – Arnon Grunberg door Jeroen Vullings in Recensie 21 juni 2011 Waardering: 4 sterren Tussen 1992 en 1993 correspondeerde Arnon Grunberg met de jongere studente Esther Krop. Hij schreef zijn debuutroman Blauwe maandagen, zij publiceerde poëzie. Inmiddels is Krop vormgeefster en Grunberg beroemd, reden waarom Brieven aan Esther in een fraaie facsimile-editie uitkwam. Het is voor de Grunberg-kunde van immens belang om de adolescente schrijver al zulke volwassen en rigide opvattingen te zien ventileren over het schrijven. Zachtzinnig is het allemaal niet en de – naar ik afleid uit Grunbergs tekst – meer idealistische Krop wordt getuchtigd. Soms komt de oneerbiedige gedachte op: zou Grunberg niet kort geleden nog wat wijsgerigs hebben toegevoegd? Zozeer biedt z’n zwarte filosofie een sleutel voor een recente roman als Huid en Haar: ‘Ik ben geobsedeerd door vernietiging. (…) Ja zelfs de kern van wat liefde is, is voor mij gelegen in de destructie. In de begeerte om mensen te verslinden en om zelf verslonden te worden.’ Alauda Publications, 83 p, € 13,50. Gesigneerde facsimile-editie, € 200,-
Jeroen Vullings — Vrij Nederland — 16 juni 2011
n Nederland hebben we nooit van arrogantie gehouden. Je moet hier voor je kop oppassen als je toevallig in een maaiveld rondkruipt en je moet ook zeker niet gek doen, want normaal is al gek genoeg. Het komt waarschijnlijk door onze protestantse inborst, die revolutionaire implicaties heeft, maar in feite een conservatieve vorm van het katholicisme is. De geringe omvang van ons land helpt ook niet mee: iedereen zit elkaar de hele dag jaloers en afkeurend te bekijken. Maar met de anti-elitaire woede van GeenStijl en de PVV zijn woorden als ‘pretentieus’, ‘arrogant’, ‘verheven’, ‘gymnasiumkindjes’ en natuurlijk ‘elite’ tot zeer grove belediging geworden (waarbij de boodschappers zich net zo arrogant opstellen als de elite die ze aanvallen, maar dit terzijde). Krampachtig probeert de gevestigde orde zich te schikken naar dit nieuwe, populaire geluid. De belangrijkste vraag op redacties van kranten en TV-programma’s lijkt te zijn: “Wacht even. Is dit niet te pretentieus?” Het protest tegen de kunstbezuinigingen zal ook klein blijven: niemand wil met dat elitaire zooitje geassocieerd worden. Arrogantie is een kunst. Er is niets mis met het streven om beter te zijn dan anderen, en als je dat bereikt mag je daar ook trots op zijn. Het gevaar is echter dat je al te zeer gaat neerkijken op de rest, dat je helemaal geen kritiek meer duldt en ijdel wordt, of dat je te vroeg denkt dat je het hebt bereikt. Amerikaanse intellectuelen en kunstenaars zijn heel goed in arrogantie, die ze met humor, zelfspot en een vleugje glamour tentoonspreiden (zoals ik hier eerder schreef). Ze komen er mee weg, omdat a.) het terecht is (ze hebben bewonderenswaardige kennis of vaardigheden) en b.) ze met zelfspot het publiek niet kut over zichzelf laten voelen. In Nederland is er nog één held van de arrogantie over: Arnon Grunberg. In zijn dagelijkse Voetnoot op de voorkant van de Volkskrant (hier online te lezen voor Volkskranthaters) laat hij zich op een verheven manier uit over de actualiteit, in Vrij Nederland geeft hij mensen met een licht denigrerende toon levensadvies en in debatten is hij niet van zijn stuk te brengen door zijn retorische superioriteit. Maar het is niet nergens op gebaseerd: Grunbergs kennis is indrukwekkend. Hij lijkt bijna elke wereldwijde publicatie te lezen, spreekt verschillende talen en bereidt zich altijd minutieus voor. Tijdens een recent debat met Evelien Tonkens verraste hij iedereen in de zaal doordat hij Tonkens’ boek zeer gedetailleerd had gelezen en er regelmatig uit citeerde. Zodra het saai dreigde te worden, maakt hij een goede grap. Grunberg komt er dus mee weg. Hij toont zich zelfs pleitbezorger van de Nieuwe Arrogantie: in de Voetnoten valt hij regelmatig uit tegen de nieuw ontstane stroming van het ‘provincialisme’ die zich tegen het oude ‘verheffingsideaal’ keert. Volgens Grunberg heeft de huidige afkeer van pretenties tot gevolg dat we ons beperken tot de middelmaat. Uit het onlangs uitgebrachte Brieven aan Esther blijkt dat de schrijver dit talent al op jonge leeftijd bezat. De 21-jarige Grunberg, nog ongepubliceerd en zoekende, onderhield een lange briefwisseling met een 18-jarige studente met schrijfambities. Hij vindt dat ze potentie heeft, maar wordt al snel onaardiger in zijn brieven, omdat Esther zich niet genoeg ‘ontwikkelt’ en blijk geeft van een onterechte arrogantie: Het is niet simpel genoeg. Je doet moeilijk. Wat je zegt is ongeloofwaardig, is bedacht. Omdat je waarschijnlijk niet alleen mij zit voor te liegen, maar je zelf ook nog gelooft in die leugens van je. Dit soort brieven worden overigens wel afgesloten met bemoedigende woorden van waardering. In het voorwoord van het vermakelijke boekje toont Grunberg zich van zijn bescheiden kant als hij zegt dat hij de ‘literaire waarde’ van de brieven betwijfelt. Misschien heeft hij daar gelijk in, maar de inhoud van de brieven zegt veel over de basisprincipes van deze schrijver. Het zou door alle intellectuelen in Nederland gelezen moeten worden: arrogantie is geen schande, maar je moet het wel verdienen.
hard//hoofd — 23 juni 2011
Dat iemand een heel boek schrijft over beginzinnen, zoals de Amerikaanse-Palestijns Edward Said met Beginnings, is goed te begrijpen. De eerste zin is het zaadje waar alles uit ontkiemt, al zou je dat niet zeggen bij het zien van de vele vlees noch vis zinnen waarmee de meeste romans beginnen. Maar is het een goede eerste zin, dan kan het haast niet mis gaan. Beginzinnen hebben hun voorspellende lading, het begin van een schrijverschap helemaal. Hannah Arendt beschouwde elk begin als het begin van een nieuwe wereld, voor haar was het beginnen zelfs de bron van de dynamiek in het leven. Ze bedoelt een echt begin. Een echt begin wil zeggen dat veel van wat er al is wordt genegeerd. Het begin is geen voortzetting. Voor de beginner voelt dat niet zo, voor hem is alles nog vooral mist en chaos, maar voor wie erop terugkijkt is het onmiskenbaar: dan blijkt elk schijnbaar onbelangrijk detail in het begin later tot iets te hebben geleid. In het begin is al te zien wat voor soort schrijver er uit voort zal komen: uit de roomse kostschooljongen Cees Nooteboom zou een geordende wereldreiziger ontstaan, uit Harry Mulisch met zijn jeugdige eigen laboratorium kwam de schrijver als alchemist voort, uit de Harlingse zonderling Simon Vestdijk kwam de kluizenaar van Doorn voort die zijn werkkamer nauwelijks verliet. Maar uit het begin van Arnon Grunbergs schrijverschap zou je niet zeggen dat er een virtuoos van het verplaatsen uit voort zou komen. Sinds hij in de jaren negentig domicilie koos in New York is Grunberg een schrijvende kosmopoliet. Hij is, zo lijkt het, permanent en route, met als standplaatsen New York, Dublin en Amsterdam. Grunberg heeft in het midden van de jaren negentig duidelijk een besluit te genomen (naar New York te gaan) en daarmee een begin gemaakt met zijn echte schrijverschap. Een onderdeel daarvan is: eropuit gaan, het leven opzoeken, een schrijver worden die niet alleen van zijn fantasie leeft. Op zijn eenentwintigste is Grunberg al een paar jaar bezig. Op die leeftijd begint hij een correspondentie met een meisje dat net van de middelbare school is gekomen en er over denkt om kunstenares te worden. Aan deze Esther Krop schrijft hij in 1992 dat hij ‘verschrikkelijk bang’ is, ‘vaak is het alleen die angst die regeert’. Die Esther Krop heeft de twintig brieven die Grunberg haar schreef in de jaren 1992/93 met zijn toestemming in goed tachtig pagina’s gepubliceerd als Brieven aan Esther. Deze brieven bevinden zich tamelijk dicht in de buurt van het begin van Grunbergs schrijverschap. Ze zijn een inkijkje in de broedmachine. Het is goed om de bekentenis dat hij ‘verschrikkelijk bang’ is in gedachten te houden wanneer Grunberg in de rest van de brieven overloopt van jeugdige arrogantie en pretentie (‘Ik ben gezegend met een behoorlijke dosis talent en genialiteit’). Maar interessante en hilarische brieven zijn het wel. Deze twintigjarige Grunberg is Esther in elke brief de les aan het lezen. Ze moet dit, ze moet dat. Ze moet de dingen niet nodeloos ingewikkeld maken. ‘Denk na’ voor je iets opschrijft. Wees eens wat minder ‘zuur’. Hou op het ‘overgevoelige wonderkind te spelen’. Je schrijft bloedloze zinnen. Je bent gespeend van gevoel voor humor. Hou op met dat zware en moeizame. Met dat mysticisme van jou sta je voor alles waar ik juist niet voor sta. ‘Pak je zelf in een dweil en breng je naar de post.’ Dit mag irritant lijken, in feite is Grunberg bezig via haar zijn ideeën, houding en positie vorm te geven. Hij gebruikt haar als een kat zijn krabpaal. Hij is vrijmoedig grof tegen haar: ‘Overigens vond ik Joop een tamelijk ouwe lul en jou een tamelijk grote slijmbal. Maar dat geeft niets. Je bent maar één keer achttien. Niet waar?’ Bij het bepalen van zijn positie loopt alles door elkaar: zijn arrogantie en zijn angst, zijn bluffende ambitie (‘Ik wil beroemd worden’) en de hoge eisen die hij zichzelf stelt. Hij verwijt Esther dat ze alles ‘te makkelijk’ opvat en de werkelijke zaken uit de weg gaat. Hij wordt geobsedeerd ‘door de vernietiging’. De kern van de liefde heeft voor hem te maken met ‘destructie’. Wat hij schrijft is ‘het precieze en ware verslag van een vernietiging, van een zelfvernietiging.’ Liefde is voor hem niet veel meer dan ‘frunniken’. Misschien ben ik wel pervers, zegt hij. Dat heeft hij dan goed gezien. De wens en lust om vér te gaan, te ver, is onweerstaanbaar. Zoals wanneer hij over zijn moeder schrijft (die hij tegenwoordig met alle zorg omringt en laat omringen): ‘Ik heb haar altijd gezegd dat ze niet kon koken, dat het niet te eten was. Ik heb haar aan haar haren getrokken, ik heb haar zo op haar ogen geslagen dat ze naar het ziekenhuis moest, ik heb haar verteld dat het beste was wat zij in haar leven kon doen, zich ophangen en wel onmiddellijk. Hierover voel ik geen schaamte of schuld.’ Grunberg legt in deze periode de bodem voor zijn hybridische instelling als schrijver: als anti-idealist en cynicus die toch geïnteresseerd blijft in het echte leven, als jojo-realist (een personage een ideaal geven dat natuurlijk wordt afgebroken), als iemand die niet gelooft dat mensen elkaar kunnen leren kennen, als ironicus die het leven toch aan den lijve wil ervaren. In 1992 als eenentwintigjarige zegt hij niet de moed te hebben zelf te leven, en daarom alleen maar naar het leven van anderen kijkt. Maar hij zegt wel ‘moed’ nodig te hebben, en Esther moet het krijgen van zijn moed steunen. In deze brieven is ook het begin te vinden van Grunbergs speltheorie: leven is een ernstig spel, maar wel een spel. In 1992/93 speelde hij om niet echt aan het leven deel te hoeven nemen. De moed ontbrak hem om ‘zelf te leven’: ‘Daarom doe ik juist niets lievers dan spelen.’ Inmiddels heeft hij moed genoeg en leeft hij. Maar in de literatuur blijft hij spelen: Grunberg wordt steeds meer de beschrijver van de menselijke komedie. Hij is de schrijver als speler en manipulator van menselijke drijfveren, verlangens, illusies en neuroses. Esther leefde volgens Grunberg te veel in haar paradijsje. Daar kun je volgens Grunberg beter niet wonen, toen niet en nu niet.
Carel Peeters — Vrij Nederland — 16 mei 2011
Beste Esther, Bedankt voor de brieven die je aan het begin van de jaren negentig met enige regelmaat aan Arnon Grunberg richtte en de bundel die je nu uit zijn antwoorden hebt samengesteld. De grote Grunberg was toen nog gewoon Arnon, een jongen van nauwelijks twintig met hooggestemde ambities en bijbehorende praatjes. Een kunstenaarstype zou je hem kunnen noemen, zeker als je de foto op het omslag nog eens goed bestudeert. Zo'n blouse met herfstblaadjes, dat lijkt verdacht veel op een kunstenaarsblouse. Het is jammer dat Brieven aan Esther uitsluitend brieven aan Esther bevat. De brieven aan Arnon, waarop de brieven aan Esther vaak een directe reactie zijn, zijn verloren gegaan. Dat is spijtig, omdat briefwisselingen vooral interessant zijn door de dynamiek van de reactie. Wie weet zwerven die brieven nog ergens rond in het immense Grunberg-archief, dat nu trouwens is uitgeleend aan de UvA. Misschien iets voor een volgende druk? Het zou de leesbaarheid van Brieven aan Esther zeker ten goede komen. Maar terug naar de brieven die er wél in staan. De eerste brief van Grunberg dateert van 7 juli 1992, de laatste van 14 september 1993. Opvallend hoezeer zijn toon verandert in ruim een jaar tijd. Van een hartelijke, misschien wel verliefde jongen (al ontkent hij dat laatste in zijn Voorwoord) tot een kille pestkop. Misschien houdt die verandering van toon wel verband met wat de aan hem geadresseerde brieven; dat zullen we nooit weten. Het is natuurlijk wel opvallend hoezeer de thema's van zijn latere werk al echoën in deze brieven. Hier is een onvolgroeide meester in de weer, denk je, als je bijvoorbeeld de opening van zijn brief van 27 november 1992 leest: Misschien zijn zinnen die iets zeggen wel zinnen waar je moeite voor hebt gedaan om ze zo te formuleren, om dát accent zo te krijgen, het zijn geen zinnen die je gedachteloos kan laten vallen en als je al zinnen gedachteloos kan laten vallen en ze toch een waarde meegeeft komt dat door die zinnen die daaraan vooraf gingen of die nog daarna zullen komen, en waaraan men kan zien hoeveel moeite degene die die zinnen uitsprak of opschreef heeft gedaan, om ze zo te formuleren. Wat een zin. Misschien zit hij wel vol met diepzinnige gedachten over het fenomeen 'zin'. Misschien zijn die gedachten, waarvan op basis van deze zin onmogelijk vast te stellen is wát die precies zijn, wel gesublimeerd in zijn latere werk, en hebben we hier te maken met een poëticale voorstudie. Maar misschien is het ook wel gewoon een gedachtegang die nergens op uitkomt. Het blijft intrigerend om te zien hoe Grunberg in de brieven op zoek is naar zijn toon. Niet voor niets werd zijn debuut Blauwe maandagen door de pers geprezen om de unieke vertelwijze; de jonge schrijver had al eindeloos geëxperimenteerd in brieven, toneelstukken, columns en korte verhalen. Brieven aan Esther is daarom een prachtige aanvulling op bijvoorbeeld De dagen van Leopold Mangelmann, waarin diezelfde zoektocht van Grunberg te zien is. Bovendien – en geef toe: dat is minstens zo interessant – lijkt Grunberg in zijn brieven zijn masker van ongrijpbare, onaantastbare auteur af en toe even vallen en zien we een glimp van een onzekere en sombere jongen, die het leven tegemoet treedt als een rekensom waarvoor geen oplossing te vinden is. 'Ik ben woedend over mijn lot en woedend over mijn leven omdat het onvolmaakt is, omdat misschien alleen de dood het zou kunnen volmaken, en door te schrijven probeer ik iets te vervolmaken voordat het niet meer kan' schrijft hij. Verdrietige, maar mooie zinnen, die de basis hadden kunnen zijn voor ófwel een leven in een inrichting ófwel een van de bijzonderste oeuvres uit de moderne Nederlandse literatuur. Gelukkig werd 't het oeuvre, waar met Brieven aan Esther nu een boeiend, leerzaam, soms onbegrijpelijk maar altijd intrigerend boekje aan is toegevoegd. PS Heel veel dank ook voor de facsimile-editie van Brieven aan Esther, (prijzige) noodzaak voor de ware Grunbergiaan, als die tenminste zijn collectie wil uitbreiden met een koffietafelgrote cassette met daarin alle, op glanzend papier gekopieerde manuscripten van de brieven en de envelopjes.
Frank Heinen — 8weekly — 27 juni 2011
Zelden heb ik plaatsvervangende schaamte gevoeld tijdens het lezen van een boek. Maar in het geval van Arnon Grunberg: Brieven aan Esther dat onlangs bij uitgeverij Alauda Publications verscheen, bekroop mij dit ongemakkelijke gevoel wél. Als lezer krijg je de helft van de briefwisseling uit 1992-1993 tussen studente Esther en de belofte Arnon Grunberg voorgeschoteld. De helft omdat de brieven van Esther aan Grunberg verloren zijn gegaan. Maar voor de lezer maakt dat niet uit. Uit de vileine brieven van Grunberg wordt de strekking van Esthers' brieven namelijk pijnlijk duidelijk. Grunberg steekt zijn mening niet onder stoelen of banken over haar in zijn ogen volstrekt onzinnige streven naar zuiverheid en zij wordt dan ook het slachtoffer van een epistolaire kastijding. Maar door Grunberg's verbale souplesse gaan gêne en vermaak hand in hand in deze prachtig vormgegeven bundeling. De briefwisseling tussen Esther en Grunberg vond plaats tussen juli 1992 en september 1993. Dus nog vóór de grote doorbraak die Grunberg in 1994 had met de publicatie van zijn roman Blauwe maandagen. Gedurende de briefwisseling heeft Grunberg Kasimir Uitgeverij opgericht en schrijft hij aan zijn debuutroman. De aanleiding voor de briefwisseling is het door Esther geschreven boek dat zij Grunberg heeft doen toekomen. In de eerste brief bedankt hij haar hiervoor hartelijk en is nieuwsgierig naar haar en haar werk. In een derde brief lijkt er, na een fysieke ontmoeting, zelfs geflirt te worden: "Ik vind je een heel bijzonder meisje, Esther". Hij spreekt in dezelfde brief zijn bewondering uit voor haar keuze en streven naar zuiverheid maar kan die tegelijkertijd niet navolgen. Vanaf de vierde brief wordt de toonzetting anders. Grunberg bestrijdt nu de zuiverheid waar Esther (klaarblijkelijk) in haar tussenliggende brieven aan vast blijft houden. Zijn schrijversschap heeft een andere voedingsbodem: "... Omdat mijn schrijven op zijn best het precieze en ware verslag is van een vernietiging, een zelfvernietiging". In anderhalf A4tje probeert hij haar te overtuigen van zijn gelijk en nodigt haar tegelijkertijd uit om te schrijven wat zij wil nee, zelfs moet schrijven. Deze opdracht aan Esther geeft de lezer inzicht in de drang die Grunberg tot schrijven aanzet. De afsluitende woorden van de vijfde brief zijn veelzeggend: "Tot gauw misschien. Maar niet in jouw calvinistisch paradijsje. In mijn kermis misschien. Het theater van de mensen die ongeschikt zijn om te leven." De volgende brieven hebben dezelfde teneur: wij zijn te verschillend, doe wat je wilt maar vraag van mij geen zegen. Hoewel de brieven van Esther ontbreken, lijken de antwoorden van Grunberg aan te geven dat ze precies dát doet. Grunberg lijkt er klaar mee te zijn maar beantwoordt alle brieven. Maar zoals in de facsimile uitgave goed te zien is, zorgt de snelheid van beantwoording voor verschrijvingen die Grunberg in handschrift corrigeert. De breuk in de briefwisseling zie je mijlenver aankomen. De laatste brief sluit af met Kom langs, laat je lieve gezichtje zien. Misschien wilde Grunberg zien of de verbale klappen striemen hadden achtergelaten. Het lijkt in de verte in ieder geval wel iets op Karel Appel's bekende citaat: "Tais-toi et sois belle". Het enige waarover je je nog verbaast, is dat de breuk nog zo lang heeft geduurd. Want al vanaf de vierde brief veranderde de toonzetting van Grunberg van vriendelijk en belangstellend naar kritisch om daarna nogmaals te veranderen waarbij het vileine de overhand kreeg. Waarom schreef Esther in hemelsnaam terug? Wat bezielde Grunberg om, nadat hij haar toch al meerdere keren als een hopeloze zaak had gekwalificeerd, uitgebreid te blijven antwoorden? Jeugdige hartstocht, bezieling, verveling? De Esther aan wie de brieven zijn gericht, is de uitgeefster én vormgeefster van dit boek. De gepassioneerde briefwisseling heeft zij laten resulteren in een bijzonder boek dat in drie verschillende edities (reguliere paperback, e-book en een luxe, facsimile uitgave). Vooral de facsimile uitgave, waarin de brieven van Grunberg (inclusief de enveloppen waarin ze zijn verzonden) zorgvuldig zijn gereproduceerd, is een juweeltje. Het in een handgemaakte doos gevatte boek verscheen in een oplage van slechts 200 door Arnon Grunberg genummerde en gesigneerde exemplaren. Het boek is een absolute aanrader en niet alleen voor Grunberg-adepten! Arnon Grunberg Arnon Grunberg: Brieven aan Esther 80 pagina's Prijs € 200,00 Alauda Publications ISBN 9789081531467 Verschenen mei 2011
Cadoc — 22 juni 2011
Oud-AKI-studente Esther Krop correspondeerde met Arnon Grunberg. Ze gaf zijn Brieven aan Esther uit bij haar eigen uitgeverij. door Maarten Moll Ze had de brieven aan het Letterkundig Museum in Den Haag kunnen schenken. Dan waren ze waarschijnlijk in een zuurvrije doos richting kelder getransporteerd. En dat zou toch zonde zijn. Dus besloot grafisch vormgever Esther Krop (1974) de brieven zelf uit te geven, bij het in 2009 door haar opgerichte Alauda Publications. Het zijn de negentien brieven die een jonge Arnon Grunberg (1971) in 1992 en 1993 aan de eveneens jonge dichteres Esther Krop schreef. 'Dit is een Fremdkörper in het fonds. We publiceren vooral boeken op het gebied van hedendaagse kunst en cultuur. Onze eerste uitgaven waren fotoboeken. Dit jaar verschijnt er nog een boek over de Amerikaanse land-artkunstenaar Robert Smithson. Nee, ik heb geen brieven van andere schrijvers in de kast liggen.' Krop ontmoette Grunberg in 1991 bij de presentatie van haar dichtbundel in de Amsterdamse galerie Guido de Spa in de Weteringdwarsstraat. Grunberg, van het gymnasium in Amsterdam gestuurd, heeft een uitgeverij opgericht (Kasimir), schrijft toneel en werkt aan Blauwe maandagen. Hij kocht haar boek, ze raakten aan de praat, wisselden adressen uit en een correspondentie begon. 'Ik woonde in Sneek, ik deed de schoolkrant en ik schreef gedichten. Na het gymnasium ging ik naar de kunstacademie in Enschede, de AKI. In die periode begon ik met Arnon te corresponderen. Na een half jaar ben ik van de AKI weggelopen. Ik was redelijk in de war, wist niet wat ik moest doen of wie ik was. Een kwetsbare periode.' Voor een deel is de briefwisseling langs haar heen gegaan. 'Ik zie mezelf niet aan een bureau zitten terwijl ik die brieven schrijf. Hij ging wel vrij serieus in op wat ik schreef, maar ik kan me niet veel meer herinneren van wat ik dan terugschreef. Mijn brieven zijn ook niet bewaard gebleven. Ik reageerde ook niet op zijn uitnodigingen bij hem langs te gaan. Ik viel niet voor hem en vriendschap was eigenlijk ook niet aan de orde. Het was niet echt een warme verstandhouding. Al stelde hij zich volgens mij wel kwetsbaar op. Hij stelde bijvoorbeeld voor in het bos te gaan wandelen. Maar we leefden in verschillende werelden en schreven brieven. Onze denkbeelden over kunst liepen ook ver uiteen.' Wat ook uit de brieven blijkt. Grunberg - we herkennen al de herhalingen, formuleringen, pesterijen en oneliners die zijn latere werk zo zullen typeren - complimenteert haar eerst met haar gedichten, om daar later genadeloos over te oordelen. 'Waarom is een fiets schaamteloos autistisch? Wat zijn achteloze schaaldieren?' De laatste brieven van Grunberg, al minder vriendelijk dan in het begin omdat ze niet bepaald tegemoet lijkt te komen aan zijn visies, dateren uit september 1993. Krop heeft, na in Amsterdam twee maanden filosofie te hebben gestudeerd, gekozen voor de Rietveld Academie. Voor beeldende kunst. 'Toen ben ik gestopt met dichten. En ook hield ik op met hem te corresponderen.' Vele jaren later ontmoette Krop Grunberg weer. De map met brieven had twee jaar in de boekenkast gestaan en ze besloot er werk van te maken Ð ook omdat Grunberg zo ongeveer de bekendste Nederlandse schrijver was geworden - en hem om toestemming te vragen de brieven te publiceren. Ze zocht de schrijver op in de Utrechtse wijk Leidsche Rijn, waar hij voor een project bij mensen thuis logeerde. 'Het was prettig weer met hem samen te werken. Hij heeft me zelfs aangemoedigd en ondersteund. In zijn boeken is hij kil en afstandelijk, maar als persoon is hij charmant.' Ze laat een groot boek zien: de prachtige facsimile-uitgave van Brieven aan Esther (er is ook nog een e-book). De brieven, met doorhalingen en verbeteringen op ware grootte afgedrukt. En ook de bijbehorende enveloppen (voor- en achterzijde) zijn te bewonderen. 'Heel bijzonder, toch?' zegt Krop. 'Wie typt nu nog brieven? Wie verstuurt nog brieven?' In het voorwoord heeft Grunberg het erover dat Krop 'een slaatje wil slaan uit die brieven'. Krop kan erom lachen. 'Dat is typisch Arnon, een beetje pesten. De werkelijkheid is dat dit project me nu alleen nog maar geld kost. Ik heb de kosten er nog lang niet uit.'
Maarten Moll — Het Parool — 13 juli 2011
In het kort
ISBN-13
9789081531467
Uitgever
Verschenen
15 mei 2011
Bibliografisch
ISBN-139789081531467
Editie1
TaalNederlands dut
Pagina’s80
GeïllustreerdJa
Uitgave
Vorm & inhoud
ProductvormHardback BB
SamenstellingLos product
Classificatie
NUR (hoofd)Briefwisselingen literaire auteurs 322
NUR (alle)322 Briefwisselingen literaire auteurs
Medewerkers
Auteur A01A.Y.Y. Grunberg
Bewerker B05E.A. Krop
Herkomst
Werk-id (NSTC)500532168
MeldingBevestigd bij publicatie 03
Bijgewerkt6 augustus 2026
Lijkt op dit boek
NSTC 500532168 · CB-relatie 7129577 · Bijgewerkt 6 augustus 2026









