Catalogus
Omslag van Daniel
Achterkant van Daniel

Daniel

Paperback166 pagina’sNederlands
Ook verkrijgbaar als
Na Hector, over de moedige Trojaanse held, is Daniël het tweede deel van Houtzagers trilogie over onverzettelijke figuren uit de Oudheid die door hun moed en inzicht bepalend waren voor de vorming van algemeen menselijke waarden.

Een van de intrigerendste figuren uit de Bijbel is Daniël. Als balling en gijzelaar verblijft hij aan het hof van de Babylonische koning Nebukadnessar, die in 586 v.Chr. Jeruzalem, de hoofdstad van het oude Israël, heeft verwoest. Dankzij zijn bijzondere begaafdheid groeit Daniël uit tot de belangrijkste droomuitlegger en raadsheer van de tiran Nebukadnessar. In deze deels op het bijbelverhaal gebaseerde roman beschrijft Guus Houtzager het angstaanjagende kat- en muisspel tussen de wrede machthebber en de machteloze profeet tegen de achtergrond van het zinderende Babylon, de eerste wereldstad uit de geschiedenis.

Guus Houtzager (1955) publiceerde diverse romans en verhalenbundels. Tevens is hij de auteur van een in acht talen vertaald naslagwerk over de Griekse mythologie.

Over Hector:
‘De ironie is uiteraard dat Hector nog altijd niet is vergeten. […] Iets soortgelijks kan worden gezegd over Houtzager: hij kan Homerus niet doen vergeten, maar Hector blijft als roman overeind. Wie naast de Dichter staande weet te blijven, mag met recht een winnaar heten.’ Jona Lendering, Recensieweb

‘Een boeiend geschreven verhaal, beeldend van taal, dat aanzet tot denken. Voor liefhebbers van historische romans een lust om te lezen.’ A.P.G. Spamer, NBD Biblion
Recensies
Guus Houtzager werkt aan 'een trilogie over onverzettelijke figuren uit de Oudheid die door hun moed en inzicht bepalend waren voor de vorming van algemeen menselijke waarden'. Na een eerste deel over Hector, de held uit Troje, is het nu de beurt aan Daniël. Daniël (2009) behandelt de geschiedenis van Daniël en zijn drie vrienden aan het hof van koning Nebukadnessar. Houtzager maakt gebruik van het materiaal uit de eerste vijf hoofdstukken van het bijbelboek en bouwt daarmee een overtuigende roman. Het verhaal begint bij Nebukadnessars droom over de reus met lemen voeten (Dan. 2). 'Daniël de wijze, Beltesassar de alziende droomuitlegger' verschijnt voor de koning en belooft hem zijn droom te verklaren (vgl. 2:16). In de roman komt een menselijkere, veel minder zekere Daniël naar voren dan in het bijbelverhaal: Ik word beschouwd als een begenadigde, als een man die de onbegrijpelijkste raadsels kan oplossen, die elk geheim kan ontsluieren, maar de mensen zouden eens moeten weten hoe vaak ik twijfel aan mezelf - hoe vertwijfeld ik ben. Ik geloof, ik moet geloven in de enige god die waakt over mijn volk, maar ik ben er nooit zeker van dat de inzichten die ik krijg werkelijk van hem afkomstig zijn. (p. 16) Nadat Daniël tegenover Nebukadnessar diens droom heeft naverteld én uitgelegd - 'Mijn God, die heerst over alles op deze wereld, heeft u en mij niet alleen deze droom geopenbaard maar ook de betekenis duidelijk gemaakt' - vliegt het hem opnieuw aan (p. 28-29): Hoe is het mogelijk dat dit goed is afgelopen, wat heb ik hoog spel gespeeld. Terwijl ik vermoed wat hij heeft gedroomd, praat ik hem een andere droom aan waaraan ik vervolgens een prachtige uitleg toevoeg. Wie ben ik, dat ik zoiets kan? Ben ik een leugenaar - nee, want ik geloof in de waarheid van wat ik zeg. Ben ik een krankzinnige, die aan wanen lijdt? Nee, want ik weet wat ik doe. Ben ik een verhalenverteller of een dichter, die de mensen vertelt wat ze graag willen horen? Nee, want ik minacht potsenmakers, goochelaars, liedjeszangers - iedereen die aan de kost komt door de mensen een rad voor ogen te draaien. Ik zoek naar de waarheid, de waarheid van mijn God die de enige god is. Maar het is soms net of die waarheid hier in de reusachtige stad Babylon steeds verder buiten mijn bereik raakt. Ook Daniëls vrienden lopen met zulke vragen rond. Chananja (Sadrach) mag dan aan Daniëls succesvol optreden een mooie functie overhouden (Dan. 2:49), hij toont zich uiterst kritisch (p. 31): 'Die visioenen,' zegt hij op een bitse toon die ik niet van hem ken, 'heb je die nu echt, of denk je daar ook over na? Bewerk je ze een beetje, zodat je ze beter kunt benutten, om het in jouw woorden te zeggen?' Ik zou beledigd moeten zijn, diep beledigd, maar ik neem nog een handje druiven en begin te lachen. 'De spanning heeft je rare gedachten ingeblazen,' zeg ik. 'Godslasterlijke gedachten, misschien wel.' 'Denk je?' Hij klinkt wantrouwig. 'De enige god zal er niet gelukkig mee zijn dat je zijn boodschappen in twijfel trekt.' Hij bromt iets onverstaanbaars, en ik zeg: 'Dacht je soms dat ik altijd zeker weet waar mijn dromen en visioenen vandaan komen? Dacht je dat ik nooit bang ben dat ik door demonen of andere boze krachten word misleid - dat ik maar wat raaskal en de plank volkomen missla?' Dit is eigenlijk de belangrijkste vraag waar Daniël het hele boek door mee worstelt: wat voor profeet ben ik eigenlijk? Spreek ik namens God of ben ik een tolk van zijn tegenstrever? Zet ik God in mijn profetieën misschien naar mijn hand: 'God op maat gemaakt voor Daniël, God die als een speelpop zegt wat Daniël wil' (p. 122)? Dit raakt ook aan de vraag die Nebukadnessar steeds indringender aan Daniël stelt en die hem steeds verder in het nauw drijft: 'Wie is die god van jou, Beltesassar, die ervoor zorgt dat jouw vrienden heelhuids uit een oven zijn gekomen [zie Dan. 3] en dat jij mijn dromen kent en begrijpt? Ik heb toch zijn tempel verwoest, is het niet? Maar dat deert hem kennelijk niet in het minst.' (...) 'Hoe kan een god zonder beeld, zonder huis en zonder stad bestaan? Wat is er van zo'n god nog over? Helemaal niets, Beltesassar. Hij is verbrand, hij is in rook opgegaan, hij is vervluchtigd en opgelost. En zo'n god richt zich tot jou? Wie is die god, Beltesassar?' (...) 'Waarom zijn je vrienden nog in leven, Beltesassar? En wat is de zekerheid die jouw god je schenkt? Want ik heb jouw god toch verslagen, Beltesassar?' Ik moet nu antwoorden, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik kan Nebukadnessar niet misleiden, want dan val ik door de mand. Ik zal hem naar waarheid moeten antwoorden, maar ik ken de waarheid niet. Ik weet niet wat Chananja, Misaël en Azarja precies is overkomen. Ik weet waarom ik mijn God vereer, maar ik weet niet wat ik daarvoor terugkrijg. Ik weet zelfs niet of het me wel wat oplevert. (p. 113-119) Daniël toont de profeet als een tragische held, die ver van het beloofde land twijfelt aan zichzelf en aan de God die hij trouw blijft.
Bijbelcultuur — 18 september 2009
In het kort
ISBN-13
9789067282352
Verschenen
18 augustus 2009

Lijkt op dit boek

NSTC 100022641 · CB-relatie 7100163 · Bijgewerkt 6 augustus 2026
Bestel bij bol → · € 19,90
← Terug naar resultaten
Omslag van Daniel
Achterkant van Daniel

Daniel

Paperback166 pagina’sNederlands
Ook verkrijgbaar als
Na Hector, over de moedige Trojaanse held, is Daniël het tweede deel van Houtzagers trilogie over onverzettelijke figuren uit de Oudheid die door hun moed en inzicht bepalend waren voor de vorming van algemeen menselijke waarden.

Een van de intrigerendste figuren uit de Bijbel is Daniël. Als balling en gijzelaar verblijft hij aan het hof van de Babylonische koning Nebukadnessar, die in 586 v.Chr. Jeruzalem, de hoofdstad van het oude Israël, heeft verwoest. Dankzij zijn bijzondere begaafdheid groeit Daniël uit tot de belangrijkste droomuitlegger en raadsheer van de tiran Nebukadnessar. In deze deels op het bijbelverhaal gebaseerde roman beschrijft Guus Houtzager het angstaanjagende kat- en muisspel tussen de wrede machthebber en de machteloze profeet tegen de achtergrond van het zinderende Babylon, de eerste wereldstad uit de geschiedenis.

Guus Houtzager (1955) publiceerde diverse romans en verhalenbundels. Tevens is hij de auteur van een in acht talen vertaald naslagwerk over de Griekse mythologie.

Over Hector:
‘De ironie is uiteraard dat Hector nog altijd niet is vergeten. […] Iets soortgelijks kan worden gezegd over Houtzager: hij kan Homerus niet doen vergeten, maar Hector blijft als roman overeind. Wie naast de Dichter staande weet te blijven, mag met recht een winnaar heten.’ Jona Lendering, Recensieweb

‘Een boeiend geschreven verhaal, beeldend van taal, dat aanzet tot denken. Voor liefhebbers van historische romans een lust om te lezen.’ A.P.G. Spamer, NBD Biblion
Recensies
Guus Houtzager werkt aan 'een trilogie over onverzettelijke figuren uit de Oudheid die door hun moed en inzicht bepalend waren voor de vorming van algemeen menselijke waarden'. Na een eerste deel over Hector, de held uit Troje, is het nu de beurt aan Daniël. Daniël (2009) behandelt de geschiedenis van Daniël en zijn drie vrienden aan het hof van koning Nebukadnessar. Houtzager maakt gebruik van het materiaal uit de eerste vijf hoofdstukken van het bijbelboek en bouwt daarmee een overtuigende roman. Het verhaal begint bij Nebukadnessars droom over de reus met lemen voeten (Dan. 2). 'Daniël de wijze, Beltesassar de alziende droomuitlegger' verschijnt voor de koning en belooft hem zijn droom te verklaren (vgl. 2:16). In de roman komt een menselijkere, veel minder zekere Daniël naar voren dan in het bijbelverhaal: Ik word beschouwd als een begenadigde, als een man die de onbegrijpelijkste raadsels kan oplossen, die elk geheim kan ontsluieren, maar de mensen zouden eens moeten weten hoe vaak ik twijfel aan mezelf - hoe vertwijfeld ik ben. Ik geloof, ik moet geloven in de enige god die waakt over mijn volk, maar ik ben er nooit zeker van dat de inzichten die ik krijg werkelijk van hem afkomstig zijn. (p. 16) Nadat Daniël tegenover Nebukadnessar diens droom heeft naverteld én uitgelegd - 'Mijn God, die heerst over alles op deze wereld, heeft u en mij niet alleen deze droom geopenbaard maar ook de betekenis duidelijk gemaakt' - vliegt het hem opnieuw aan (p. 28-29): Hoe is het mogelijk dat dit goed is afgelopen, wat heb ik hoog spel gespeeld. Terwijl ik vermoed wat hij heeft gedroomd, praat ik hem een andere droom aan waaraan ik vervolgens een prachtige uitleg toevoeg. Wie ben ik, dat ik zoiets kan? Ben ik een leugenaar - nee, want ik geloof in de waarheid van wat ik zeg. Ben ik een krankzinnige, die aan wanen lijdt? Nee, want ik weet wat ik doe. Ben ik een verhalenverteller of een dichter, die de mensen vertelt wat ze graag willen horen? Nee, want ik minacht potsenmakers, goochelaars, liedjeszangers - iedereen die aan de kost komt door de mensen een rad voor ogen te draaien. Ik zoek naar de waarheid, de waarheid van mijn God die de enige god is. Maar het is soms net of die waarheid hier in de reusachtige stad Babylon steeds verder buiten mijn bereik raakt. Ook Daniëls vrienden lopen met zulke vragen rond. Chananja (Sadrach) mag dan aan Daniëls succesvol optreden een mooie functie overhouden (Dan. 2:49), hij toont zich uiterst kritisch (p. 31): 'Die visioenen,' zegt hij op een bitse toon die ik niet van hem ken, 'heb je die nu echt, of denk je daar ook over na? Bewerk je ze een beetje, zodat je ze beter kunt benutten, om het in jouw woorden te zeggen?' Ik zou beledigd moeten zijn, diep beledigd, maar ik neem nog een handje druiven en begin te lachen. 'De spanning heeft je rare gedachten ingeblazen,' zeg ik. 'Godslasterlijke gedachten, misschien wel.' 'Denk je?' Hij klinkt wantrouwig. 'De enige god zal er niet gelukkig mee zijn dat je zijn boodschappen in twijfel trekt.' Hij bromt iets onverstaanbaars, en ik zeg: 'Dacht je soms dat ik altijd zeker weet waar mijn dromen en visioenen vandaan komen? Dacht je dat ik nooit bang ben dat ik door demonen of andere boze krachten word misleid - dat ik maar wat raaskal en de plank volkomen missla?' Dit is eigenlijk de belangrijkste vraag waar Daniël het hele boek door mee worstelt: wat voor profeet ben ik eigenlijk? Spreek ik namens God of ben ik een tolk van zijn tegenstrever? Zet ik God in mijn profetieën misschien naar mijn hand: 'God op maat gemaakt voor Daniël, God die als een speelpop zegt wat Daniël wil' (p. 122)? Dit raakt ook aan de vraag die Nebukadnessar steeds indringender aan Daniël stelt en die hem steeds verder in het nauw drijft: 'Wie is die god van jou, Beltesassar, die ervoor zorgt dat jouw vrienden heelhuids uit een oven zijn gekomen [zie Dan. 3] en dat jij mijn dromen kent en begrijpt? Ik heb toch zijn tempel verwoest, is het niet? Maar dat deert hem kennelijk niet in het minst.' (...) 'Hoe kan een god zonder beeld, zonder huis en zonder stad bestaan? Wat is er van zo'n god nog over? Helemaal niets, Beltesassar. Hij is verbrand, hij is in rook opgegaan, hij is vervluchtigd en opgelost. En zo'n god richt zich tot jou? Wie is die god, Beltesassar?' (...) 'Waarom zijn je vrienden nog in leven, Beltesassar? En wat is de zekerheid die jouw god je schenkt? Want ik heb jouw god toch verslagen, Beltesassar?' Ik moet nu antwoorden, maar ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik kan Nebukadnessar niet misleiden, want dan val ik door de mand. Ik zal hem naar waarheid moeten antwoorden, maar ik ken de waarheid niet. Ik weet niet wat Chananja, Misaël en Azarja precies is overkomen. Ik weet waarom ik mijn God vereer, maar ik weet niet wat ik daarvoor terugkrijg. Ik weet zelfs niet of het me wel wat oplevert. (p. 113-119) Daniël toont de profeet als een tragische held, die ver van het beloofde land twijfelt aan zichzelf en aan de God die hij trouw blijft.
Bijbelcultuur — 18 september 2009 ·
In het kort
ISBN-13
9789067282352
Verschenen
18 augustus 2009

Lijkt op dit boek

Alles bekijken →
NSTC 100022641 · CB-relatie 7100163 · Bijgewerkt 6 augustus 2026