

Snijden & stikken het verhaal van kleermaker Boeng
Paperback168 pagina’sNederlandsLeverbaar
In dat bos heb ik tot 1965 gewoond. Hoe kon ik weten dat we ooit de barakken moesten verlaten om tussen de Hollanders te wonen? Dat bij ons verzet pantserwagens en mobiele eenheden zouden worden ingezet? Binnen enkele maanden werden Ambonese wijken uit de grond gestampt. Ik kon kiezen waar ik wilde wonen. Do, haar moeder en ik kozen voor het Westen, het werd deze Bomenwijk. Een buurt die op alle andere woonoorden leek, waar ook in Nederland: een rechthoekig patroon van rijen eengezinswoningen, afgewisseld met een grasveld, een in alle jaargetijden onverwoestbaar groen, en altijd op één van de hoeken van de wijk De Molukse Kerk met zo'n laag aflopend puntdak.
Yvon Muskita toont in Snijden & stikken haar lezers de geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland via de ogen van kleermaker Boeng. Die behoort tot de oude garde en kijkt eigenzinnig, met gevoelens die hij nooit zal uitspreken, tegen de jongere garde aan. Hij hoort veel van de mensen om hem heen en vormt zo de centrale verteller van het verhaal: soms tragikomisch, dan weer ontroerend. Enkele personages, zoals de mooie Hanu en niet te vergeten de aquariumhouder oom Sem, krijgen bijna mythische proporties, terwijl intussen de heimelijke, machteloze en onmogelijke liefde van kleermaker Boeng voor het bokkige meisje Myra aangrijpend wordt uitgetekend. Het boek is met zijn levendigheid bij vlagen episch en lyrisch en blijft de lezer voortdurend boeien.
Yvon Musikita (Venray, 1958) schaart zich met haar debuutroman in de rij van belangrijke naoorlogse Indo- en Molukse schrijvers als Alfred Birney, Marion Bloem, Theodor Holman, Ernst Jansz en Frans Lopulalan.
Yvon Muskita toont in Snijden & stikken haar lezers de geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland via de ogen van kleermaker Boeng. Die behoort tot de oude garde en kijkt eigenzinnig, met gevoelens die hij nooit zal uitspreken, tegen de jongere garde aan. Hij hoort veel van de mensen om hem heen en vormt zo de centrale verteller van het verhaal: soms tragikomisch, dan weer ontroerend. Enkele personages, zoals de mooie Hanu en niet te vergeten de aquariumhouder oom Sem, krijgen bijna mythische proporties, terwijl intussen de heimelijke, machteloze en onmogelijke liefde van kleermaker Boeng voor het bokkige meisje Myra aangrijpend wordt uitgetekend. Het boek is met zijn levendigheid bij vlagen episch en lyrisch en blijft de lezer voortdurend boeien.
Yvon Musikita (Venray, 1958) schaart zich met haar debuutroman in de rij van belangrijke naoorlogse Indo- en Molukse schrijvers als Alfred Birney, Marion Bloem, Theodor Holman, Ernst Jansz en Frans Lopulalan.
Recensies
Yvon Muskita (1958) is een schrijfster met talent. Ze maakt deel uit van de Molukse gemeenschap, waar ze gerekend moet worden tot de tweede generatie Zuid-Molukkers. Deze generatie werd in Nederland geboren en opgevoed. Bij het brede publiek is de Molukse gemeenschap slechts bekend door de problematiek rond de RMS en de kapingen in de jaren zeventig van de 20e eeuw. Met haar debuutroman gunt de schrijfster haar lezers een blik binnen die gemeenschap. Ze slaagt er uitstekend in de sfeer van de Molukse gemeenschap weer te geven. De centrale verteller in het verhaal is een oude Molukse kleermaker die om zich heen ziet hoe het leven van de jongere generatie zich ontvouwt. Hij heeft daar zijn eigen gedachten en ideeën over, die hij echter niet uitspreekt. De personages en situaties worden door de schrijfster op een levendige manier beschreven. Sommige passages zijn ontroerend getoonzet. Het boek is zeker een breed publiek waard. - E. Mutter voor NBD/Biblion, maart 2008
NBD/Biblion — 25 maart 2008
'Snijden & Stikken', de debuutroman van Yvon Muskita (Venray, 1958), is een kleine sociale geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland. "Pas toen de jongeren een vuist maakten leerden de meeste Nederlanders de Molukker kennen, helaas alleen als treinkaper." Yvon Muskita legt uit waarom ze in haar eerste boek vooral de verhalen vertelt van de Molukse mannen en vrouwen die in de jaren vijftig van de vorige eeuw vanuit Indonesië naar Nederland werden gehaald en die werd voorgehouden dat het maar voor even zou zijn. Molukkers die zwegen en zich op de achtergrond hielden en die daardoor niet werden gehoord. "Ik wil niet dat ze vergeten worden." Centrale figuur in haar roman is de oude kleermaker Boeng, zoon van een Ambonese sergeant die diende in het Koninklijk Nederlandsch Indisch Leger (KNIL). Samen met twaalfduizend andere Molukkers komt hij begin jaren vijftig naar Nederland, want door hun KNIL-activiteiten willen de Indonesiërs hen kwijt. Hij wordt eerst ondergebracht in een kamp en na een aantal jaren in een nieuwbouwwijk. Via de op zijn sterfbed liggende Boeng, die door zijn vak natuurlijk veel mensen kent, verhaalt Muskita ook over tante Do, haar moeder Omi, haar kinderen Myra en Anis, tante Oetje en oom Empeng. Ze beschrijft hoe ze worstelen met hun nieuwe leven in een koud land, waarvan ze eerst nog hopen het snel achter zich te kunnen laten. Langzaam maar zeker komt echter de berusting, hoewel het gevoel van ontheemheid altijd blijft. Hun lichaam is in Nederland, hun geest op de Molukken. Het is dus het verhaal van de eerste generatie Molukkers in Nederland, een verhaal dat eigenlijk nog nooit is verteld. Want zoals Muskita al aangeeft, alleen de drieste acties van de jongeren hebben de aandacht getrokken en voorgoed het beeld bepaald van de Molukse gemeenschap. Acties overigens waar de gezagsgetrouwe ouderen niet achter stonden. Die ouderen zijn door hun ontheemheid vaak tragische figuren. Neem Oom Sem, die als hij eenmaal een woning in een nieuwbouwwijk heeft de voorkamer volstouwt met aquaria. Zijn vrouw en elf kinderen zijn verbannen naar de achterkamer. Sem leeft tussen zijn tropische aquaria en praat met de daarin zwemmende vissen. Muskita beschrijft hem en de anderen met liefde en mededogen. De drie staties in hun levensgeschiedenis vormen tevens de titels van de delen van het boek: De reis, De wijk en De trein. De geschiedenis van deze Molukse generatie is deels Muskita's eigen historie. Ze is geboren in het kamp Vlakwater te Venray. "Ik heb dat kamp almaar voor ogen gehad toen ik het boek schreef. Maar de mensen, verhalen, gebeurtenissen zijn een mix van verhalen die ik heb gelezen van andere kampen en die ik net als Boeng de kleermaker heb verknipt, versteld en weer aan elkaar gestikt. Bovendien heb ik er personages in verwerkt die voorkomen in traditionele Molukse volksverhalen." Acht jaar geleden is ze teruggegaan naar Vlakwater, maar ze heeft weinig teruggevonden. Wel herinnert ze zich nog dat de Venraynaren boos waren toen de kampbewoners begin jaren zestig naar een nieuwbouwwijk in het noorden van het land moesten. Als argument werd van hogerhand aangevoerd dat het vanwege het verschil in geloof voor de Molukkers beter was om niet tussen de katholieken te wonen. De Venraynaren bezwoeren toen dat ze nooit problemen hadden met de Molukkers. Het mocht niet baten. "Limburgse kampen bestaan niet meer", stelt Muskita. "Weinigen weten nog dat ze er zijn geweest en waar ze hebben gestaan. Laat staan dat ze de mensen kennen die er hebben gewoond." Daarom haalt zij ze terug in de herinnering.
Adri Gorissen — Limburgs Dagblad — 23 april 2008
De kleermaker ziet veel vanachter zijn Singer 'Hier lig ik. Hoe lang nog? (...). Ik moest naar huis, er is niets meer aan te doen. Ik ga dood.' Met deze scène begint Snijden & stikken, de debuutroman van Yvon Muskita (1958). De verteller heet Boeng, een oude kleermaker afkomstig van de Molukken, die zich zo presenteert: 'Ik, zoon van een KNIL-er, was vogelvrij verklaard en in de ogen van de nationalist ook nog een Chinees. Een dubbelparasiet.' Daarom vertrok hij in de jaren vijftig van de vorige eeuw naar Nederland, samen met zo'n twaalfduizend lotgenoten, voor gedemobiliseerde KNIL-militairen en hun gezinnen. Al deze mensen werden verspreid door het land opgevangen in kampen, 'koffers en kisten bleven (...) gesloten', want hun verblijf zou tijdelijk zijn. Maar Boeng, Oetje, Omi, haar dochter Do en kleindochter Myra keren niet terug. Ook al halen ze net als de rest braaf hun vlecht- en breiploma's, waarmee ze later hun brood kunnen verdienen in hun vaderland. De zelfstandige Republiek Maluku Selatan (RMS) blijkt een loze belofte, een onmogelijkheid, met alle gevolgen vandien. Kleermaker Boeng ondergaat zijn lot gelaten. Hij is een buitenstaander ('illegale nepchinees') die toch van binnenuit de Molukse gemeenschap kan beschrijven. Boeng ziet en hoort veel vanachter zijn Singer, maar oordeelt nauwelijks. De groeiende onrust van de jongere generatie ziet hij vooral terug in Myra, voor wie hij speciale sympathie koestert. Maar Myra is dood, vertelt hij al in de proloog. Hoe ze is gestorven, wordt aan het eind duidelijk. Boengs herinneringen zijn associatief, maar niet altijd makkelijk te plaatsen in de tijd. Door de grote gebeurtenissen (zoals de executie van de Zuid-Molukse president Soumokil) haast terloops te vertellen, en de dagelijkse dingen meer ruimte te geven, werkt Muskita op subtiele wijze toe naar de radicalisering van de jongeren (pemuda's), die uitmondde in gijzelingen en treinkapingen. Dertig jaar later is de problematiek over identiteit uit Snijden & stikken nog altijd actueel; wat zijn roots 'als zelfs Omi, die wel op Ambon geboren was, lichtblauwe ogen had?' (CiceroFictie)
Edith Koenders — Volkskrant — 14 maart 2007
Snijden&stikken lijkt een dreiging uitstralende titel, maar het gaat hier om de handelingen van een kleermaker die zijn vak uitoefent. Auteur Yvon Muskita (1958) laat haar lezers de geschiedenis van de Molukse gemeenschap in Nederland beleven door de vertelling van kleermaker Boeng. Boeng hoort bij de groep van bijna 4000, vooral Zuid-Molukse, KNIL-militairen, die in 1951 naar Nederland komt voor een tijdelijk verblijf. Na een afkoelingsperiode (het Indonesische leger wil immers een eenheidsstaat, maar wie weet keert het tij) zullen de militairen en hun gezinnen, zon 12.500 personen, weer naar de Zuid-Molukken terugkeren. Daar zullen zij de ingezetenen zijn van de Republik Maluku Selatan (R.M.S.), de Republiek der Zuid-Molukken, een in 1950 op Ambon uitgeroepen staat. Deze subdeelstaat, de R.M.S, ondergaat op 28 september 1950 een invasie van het Indonesische leger en begin november valt de hoofdstad Ambon. Boeng is de zoon van een Ambonese sergeant der tweede klasse infanterie. Een kleine man die door dik en dun achter het koningshuis stond. Later is Boengs vader een teleurgesteld militair. De ouders van Boeng overleven de Pacific-oorlog niet. Boeng, net dertig, besluit met de groep militairen mee naar Nederland te gaan, maar de twijfel blijft aan zijn besluit knagen. Wie zijn de medereizigers van Boeng? Wie zijn die Molukse militairen, zo trouw aan het koningshuis? Op de boot naar Nederland leert Boeng oom Empeng kennen, glimmend in zijn militaire tenue, net nieuw gekregen in Port Said. Oom Empeng spreekt maar een paar woorden Nederlands. Straks, in Rotterdam, verwacht oom verwelkomd te worden door zijn Juliana en hij zal grootse dingen bij de landmacht gaan verrichten. Helaas, direct na de ontscheping, op de winderige kade, wordt oom Empeng en de andere militairen het ontslag uit het leger voorgelezen. Ochtendappèl De mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden worden naar een dennenbos vervoerd waar barakken voor hen klaarstaan. Wat heeft het leven in het woonoord te bieden aan soldaten die altijd klaar stonden om uit te rukken? Valt er eer te behalen? Er is een ochtendappèl en er zijn militaire oefeningen, maar er is nog een zee van tijd over. Oom Empeng wordt met de dag rustelozer. Boeng ergert zich aan het marcheren van oom Empeng langs zijn deur. Het marcheren wordt echter sloffen, met lange halen zich voortslepen, naarmate de tijd verstrijkt. Niemand gaat terug naar de R.M.S. Ja, een enkeling gaat veel later terug naar Ambon, om daar uit te vinden dat er in Indonesië geen werk is voor een Ambonees! Veel gezinnen vertrekken naar Canada. Werk? In de barakkentijd hebben de beroepsmilitairen een haak en rotancursus gevolgd, als voorbereiding op hun werkzame leven in de toekomst, niet in Nederland. De barakken worden ingewisseld voor een Ambonese wijk. Tussen de Hollanders wonen. Wie had dat ooit gedacht. Borrels Boeng, de verteller van 75, door een vreemde ziekte geveld, is stervende. De bekenden uit de gemeenschap trekken aan zijn geestesoog voorbij. Oetje, de sambalmaakster, de kakelende, die borrels achterover slaat tot ze erbij neervalt. Do, de verwende vrouw die goed Nederlands spreekt en als eerste een goed betaalde baan krijgt. Dos moeder Omi, die dag en nacht in de keuken staat. Dos dochter Myra, voor wie Boeng een mooie, geheime liefde koestert. Oom Sem, die tussen zijn aquaria leeft en tegen de vissen praat. Het kind Benjamin dat verdrinkt in de poel tussen de waterlelies. Boeng kleedt de gemeenschap. Stoffen uitzoeken, snijden en stikken. Hij heeft het altijd druk. Boeng herinnert zich de uitstapjes, georganiseerd door de stichting. Een feest in een andere wijk. Een dagje met de bus naar de Scheveningse pier, waar de kinderen met hun zondagse kleding het strand niet op mogen en Omi sprakeloos naar de zee kijkt die ze vijftien jaar geleden voor het laatst zag, op weg naar Nederland. De maandag na die zondag werken de vrouwen weer op de chocoladefabriek en de mannen op het industrieterrein. Zondagnacht vertrekken er al mannen naar de Limburgse mijnen. Heimwee Het is alsof Muskita je bij de hand neemt en meevoert door een circus, een rariteitenkabinet, een museum. Misschien doet het verhaal ouderwets aan, omdat het inmiddels 2008 is en alle Molukse mensen inmiddels zijn opgegaan in een individueler bestaan. Tegelijkertijd wordt er een soort heimwee aangewakkerd naar tijden die niet eens zover achter ons liggen. En dan is er het besef dat deze auteur zo trefzeker, zonder enige zwaarte in haar proza, verhalen van mensen die alle hoeken van het leven hebben gezien, binnen het bereik van de lezer kan brengen. Wie goed op de gebeurtenissen let, weet dat er sprake is van dreiging in dit werk. Alleen vlindert Muskita je als het ware door de stof, ze tovert je door de gebeurtenissen heen en je mag als lezer zelf kiezen of je je door het gewicht van de dingen laat raken.
Jill Stolk — Den Haag Centraal — 29 februari 2008
In het kort
ISBN-13
9789062655922
Uitgever
Verschenen
8 februari 2008
Bibliografisch
ISBN-139789062655922
Editie1
TaalNederlands dut
Pagina’s168
GeïllustreerdNee
Uitgave
UitgeverKnipscheer, Uitgeverij In de
CB-relatie-id7700624
Verschenen8 februari 2008
StatusLeverbaar 04
BeschikbaarheidBeschikbaar 20
Adviesprijs (incl. btw)€ 15,00
Vorm & inhoud
ProductvormPaperback BC
SamenstellingLos product
Classificatie
NUR (hoofd)Literaire roman, novelle 301
NUR (alle)301 Literaire roman, novelle
Medewerkers
Auteur A01Y. Muskita
Herkomst
Werk-id (NSTC)500632058
MeldingBevestigd bij publicatie 03
Bijgewerkt6 augustus 2026
Lijkt op dit boek
NSTC 500632058 · CB-relatie 7700624 · Bijgewerkt 6 augustus 2026









