Catalogus
Omslag van Recht tussen norm en belang

Recht tussen norm en belang relativiteit in privaat- en bestuursrecht

Paperback152 pagina’sNederlandsDeel 82 →
De privaatrechtelijke relativiteitseis is sinds arresten als De Marchant et d’Ansembourg (1928), Intercueros (1929) en Brandstichting (1930) geldend recht, maar van een rustig bezit is nooit sprake geweest. In het interbellum leidde de door de Hoge Raad geconstrueerde relativiteitsleer tot felle discussies, die pas enigszins tot bedaren kwamen na Tandartsen I (1958). Naar aanleiding van geruchtmakende arresten als Duwbak Linda (2004), Vie d’Or (2006), Astrazeneca/Menzis (2006), Staat/Yazdanlatif (2007) en Hangmat (2010) staat de privaatrechtelijke relativiteitsleer opnieuw sterk in de rechtsgeleerde belangstelling.Deze hernieuwde interesse loopt opvallend genoeg ongeveer parallel aan een verwoed debat onder bestuursrechtjuristen over de vraag of een relativiteitseis ook in het bestuursrecht wenselijk is. Inmiddels is het relativiteitsvereiste voor een deel van het omgevingsrecht ingevoerd als artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet; een soortgelijke eis maakt bovendien deel uit van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, die naar verwachting spoedig van kracht zal zijn.Tot nog toe zijn er weinig studies die het privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste in elkaars verband bezien. Daarnaast roept de relativering van rechtsnormen tal van theoretische vragen op, die in de rechtsgeleerde literatuur tot nog toe sterk onderbelicht zijn gebleven. Dit boek, dan van belang is voor rechtstheoretici én praktijkjuristen, beoogt aan beide tekortkomingen tegemoet te komen.
In het kort
ISBN-13
9789088630934
Verschenen
31 augustus 2012

Lijkt op dit boek

NSTC 500492805 · CB-relatie 9777501 · Bijgewerkt 6 augustus 2026
Bestel bij bol → · € 28,50
← Terug naar resultaten
Omslag van Recht tussen norm en belang

Recht tussen norm en belang

relativiteit in privaat- en bestuursrecht
Paperback152 pagina’sNederlandsDeel 82 van Juncto reeks →
De privaatrechtelijke relativiteitseis is sinds arresten als De Marchant et d’Ansembourg (1928), Intercueros (1929) en Brandstichting (1930) geldend recht, maar van een rustig bezit is nooit sprake geweest. In het interbellum leidde de door de Hoge Raad geconstrueerde relativiteitsleer tot felle discussies, die pas enigszins tot bedaren kwamen na Tandartsen I (1958). Naar aanleiding van geruchtmakende arresten als Duwbak Linda (2004), Vie d’Or (2006), Astrazeneca/Menzis (2006), Staat/Yazdanlatif (2007) en Hangmat (2010) staat de privaatrechtelijke relativiteitsleer opnieuw sterk in de rechtsgeleerde belangstelling.Deze hernieuwde interesse loopt opvallend genoeg ongeveer parallel aan een verwoed debat onder bestuursrechtjuristen over de vraag of een relativiteitseis ook in het bestuursrecht wenselijk is. Inmiddels is het relativiteitsvereiste voor een deel van het omgevingsrecht ingevoerd als artikel 1.9 van de Crisis- en herstelwet; een soortgelijke eis maakt bovendien deel uit van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, die naar verwachting spoedig van kracht zal zijn.Tot nog toe zijn er weinig studies die het privaatrechtelijke en bestuursrechtelijke relativiteitsvereiste in elkaars verband bezien. Daarnaast roept de relativering van rechtsnormen tal van theoretische vragen op, die in de rechtsgeleerde literatuur tot nog toe sterk onderbelicht zijn gebleven. Dit boek, dan van belang is voor rechtstheoretici én praktijkjuristen, beoogt aan beide tekortkomingen tegemoet te komen.
In het kort
ISBN-13
9789088630934
Verschenen
31 augustus 2012

Lijkt op dit boek

Alles bekijken →
NSTC 500492805 · CB-relatie 9777501 · Bijgewerkt 6 augustus 2026