

Ambtshalve aanvullen van rechtsgronden
Paperback73 pagina’sNederlandsLeverbaar
Art. 24 Rv draagt de rechter op de zaak te onderzoeken en te beslissen op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd. Art. 25 Rv gebiedt de rechter rechtsgronden aan te vullen. Het onderscheid tussen de lrechtsgrondenl van art. 25 Rv en de lgrondslagl van art. 24 Rv heeft betrekking op de tegenstelling tussen recht en feit. Dit onderscheid speelt een belangrijke rol bij de afbakening van de bevoegdheden van rechter en procespartijen in het burgerlijk proces. Zo mag de rechter zijn beslissing niet baseren op feiten die niet aan de vordering of het verweer ten grondslag zijn gelegd; doet hij dat wel, dan treedt hij buiten de grenzen van de rechtsstrijd. Op hun beurt dienen partijen erop bedacht te zijn dat de rechter de vordering of het verweer op een andere rechtsgrond kan toewijzen, indien de gestelde rechtsgrond ontoereikend blijkt te zijn.
Ofschoon het onderscheid tussen feitelijke gronden en rechtsgronden in theorie scherp is, blijkt de grens tussen beide in de praktijk vloeiend. Zo dient de juridische kwalificatie van een feit soms te worden aangemerkt als een feitelijke grond. De omvang van vordering, verzoek of verweer kan bovendien niet in abstracto worden vastgesteld. Voor de rechtspraktijk blijkt het leerstuk van art 25 Rv dan ook weinig richtinggevende waarde te hebben en sterk casuïstisch van aard te zijn. In dit cahier worden de contouren van het leerstuk van art. 25 Rv aan de hand van recente jurisprudentie geschetst. De conclusie luidt dat het onderscheid tussen het bevoegd aanvullen van rechtsgronden en het onbevoegd bijbrengen van feiten sterker dan voorheen in de sleutel staat van het contradictoire beginsel van hoor en wederhoor.
Ofschoon het onderscheid tussen feitelijke gronden en rechtsgronden in theorie scherp is, blijkt de grens tussen beide in de praktijk vloeiend. Zo dient de juridische kwalificatie van een feit soms te worden aangemerkt als een feitelijke grond. De omvang van vordering, verzoek of verweer kan bovendien niet in abstracto worden vastgesteld. Voor de rechtspraktijk blijkt het leerstuk van art 25 Rv dan ook weinig richtinggevende waarde te hebben en sterk casuïstisch van aard te zijn. In dit cahier worden de contouren van het leerstuk van art. 25 Rv aan de hand van recente jurisprudentie geschetst. De conclusie luidt dat het onderscheid tussen het bevoegd aanvullen van rechtsgronden en het onbevoegd bijbrengen van feiten sterker dan voorheen in de sleutel staat van het contradictoire beginsel van hoor en wederhoor.
In het kort
ISBN-13
9789069165219
Uitgever
Verschenen
14 juni 2004
Serie
Cahier Privaatrecht · 14
Bibliografisch
ISBN-139789069165219
SerieCahier Privaatrecht — deel 14
Editie1
TaalNederlands dut
Pagina’s73
GeïllustreerdNee
Uitgave
UitgeverJuridische Uitgeverij Ars Aequi
CB-relatie-id7200759
Verschenen14 juni 2004
StatusLeverbaar 04
BeschikbaarheidBeschikbaar 20
Adviesprijs (incl. btw)€ 15,00
Vorm & inhoud
ProductvormPaperback BC
SamenstellingLos product
Classificatie
NUR (hoofd)Privaatrecht 822
NUR (alle)822 Privaatrecht
Medewerkers
Auteur A01C.E. Smith
Herkomst
Werk-id (NSTC)500687973
MeldingBevestigd bij publicatie 03
Bijgewerkt6 augustus 2026
Lijkt op dit boek

Het aanvullen van de rechtsgronden

Ambtshalve toepassing van EU-recht

Hoe komt de bestuursrechter tot zijn recht?

De omvang van het geding

Rechtsvorming in het privaatrecht

De weg naar het civiele vonnis

De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken

Regels van rechtsvinding

Getuigenbewijs in civiele zaken

Rechtsvorming in het privaatrecht
NSTC 500687973 · CB-relatie 7200759 · Bijgewerkt 6 augustus 2026