

Ondiepwatermijnenvegers van Straelen-klasse, de Dinky Toys van de Mijnendienst
Dick de Vries ill.
Ook verkrijgbaar als
In 1955 besloot de Koninklijke Marine tot de bouw van zestien ondiepwatermijnenvegers. Zij waren bestemd om de mijnenleg in de Nederlandse binnenwateren,de zeearmen en de kustzee te bestrijden. Gebouwd als ranke, mooi afgewerkte,maar toch zeer zeewaardige schepen waren zij een lust voor het oog, zeker als zij zich bij slecht weer op de woelige Noordzee bevonden.Maar zo klein de notendop op zee leek, zo imposant was het schip als zij afmeerde in een kleine haven diep in het binnenland tijdens een vlagvertoonreis.Met slechts een bemanning van veertien man was het hard werken voor alle henswaarbij de dienstvakken en rangen vaak vervaagden omdat het eigenlijk een grotefamilie was die de klus moest klaren.Veel jonge officieren en onderofficieren hebben aan boord van deze schepen nietalleen de praktijklessen van het vak geleerd, maar leerden ook leiderschap, samenwerking en respect voor elkaar. Het vormde de basis voor een latere carrière.Dit is het complete verhaal over de ondiepwatermijnenvegers van de Van Straelen-klasse van de Koninklijke Marine: de Dinky Toys van de Mijnendienst.Er wordt aandacht besteed aan de besluitvorming, het ontwerp, de bouw en uitrusting van de schepen. Daarnaast wordt stil gestaan bij de naamgevers, de historie en de inzet van de schepen. Door de vele fotos, verhalen en anekdotes geeft het boek tevens een schets van de omgeving waarin deze schepen moesten opereren. Ondanks dat deze kleinste operationele eenheden van de Koninklijke Marine vaak door mensen van de grote vloot Dinky Toys werden genoemd verrichtten zij hun taak met verve: Beter kleine baas dan grote knecht.
Recensies
Koffiepauze bij café langs water Den Helder Of op de toekomstige patrouillevaartuigen van de marine ooit een kok of machinist aan het roer komt te staan, valt nog te bezien. Maar dat de zeemacht kleinere bemanningen voor velerlei taken aan boord opleidt, is volgens Nieuwedieper Bob Roetering (69) beslist geënt op de praktijk op de ondiepwatermijnenvegers van weleer. Wij waren in de jaren zestig al superfunctioneel, aldus de kapitein ter zee buiten dienst, wiens functie tot 1993 commandant mijnendienst is geweest. Met zijn veertienen op één schip was je op elkaar aangewezen. We vormden een heel hechte club, waarbij iedereen even belangrijk was. Rangen en standen golden vrijwel niet. Als iemand ziek was, moest een ander die rol moeiteloos vervullen. Met genoegen constateer ik dat wij toen al een heel eind op het goede spoor zaten. Roetering werd als 26-jarige bevelvoerder op de Hr. Ms. Van Straelen, een van de zestien naoorlogse mijnenvegers die op zee en in de binnenwateren prima uit de voeten konden. Over dat type schip heeft hij een boek geschreven en laten uitgeven. Dinky Toys In Ondiepwatermijnenvegers Van Straelen klasse, de Dinky Toys van de Mijnendienst komen ontstaansgeschiedenis, introductie, bouw, doop, naamgeving, maar ook persoonlijke verhalen en eindbestemming aan bod. In vergelijking met een fregat stelden die houten schepen van 33 meter lang natuurlijk bar weinig voor. Maar in iedere haven maakten ze toch indruk. Het was de beste leerschool voor zeemanschap. En het commando over de Van Straelen was de leukste uit mijn loopbaan. Zo verhaalt Roetering, thans parttime instructeur op een simulator aan de Scheepvaart en Transport College in Rotterdam, over de koffiepauze die zijn bemanning hield bij een café aan het binnenwater. We zorgden ook altijd dat als iemand een bruiloft of wat anders belangrijks had in de buurt van een station op tijd aan de wal stond. Dat het schip thuis kwam, regelden de anderen wel. Om aan informatie te komen spitte de Nieuwedieper onder meer het Nationaal Archief, dat van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie en een geheim defensiearchief uit. Mooiste bron was echter Henk Wimmers, de ontwerper. Dat ik hem (voor zijn dood, red.) heb kunnen spreken, vind ik de grootste klapper. Die man slofte naar zijn kelder en haalde het originele scheepsdevies, hoe een ondiepwatermijnenveger van a tot z is gebouwd, plus uniek fotomateriaal tijdens de bouw op. Kreeg ik zo mee van die heer van over de tachtig. Hoewel de bemanning vaak oefende op het vegen van mijnen, zijn de schepen tussen 1960 en 1983 slechts twee keer operationeel ingezet. Bij een van die missies, ten oosten van Terschelling, was Roetering van de partij. Ons doel was met een tuig achter het schip ontploffingen van in zee gedropte mijnen uit te lokken. Vanwege het gevaarlijke werk kregen we bij die klus 2,50 gulden extra per dagdeel. We kamden met zes schepen een heel gebied uit. Buiten proeven heb ik nooit een explosie meegemaakt. Over het algemeen was het saai werk. Maar er zijn ook zat schepen, die in oorlog nooit een vijand hebben gezien of een schot hebben gelost. Flesjes bier aan boord, die wel eens mee werden genomen, was tijdens het echte werk een doodzonde. Op de magnetische straling van een bierdop konden mijnen reageren. Ook de officierssabel mocht om die reden niet mee. De vegers van toen waren niet voor niets van hout met koperen motoren en de rest van pvc. Zoals de jagers van nu vooral van polyester zijn.
Herlderse Krant — Helderse Krant — 16 maart 2010
Na afloop van de Tweede Wereldoorlog (WO II) begon Nederland met het herstel van de oorlogsschade. Daar behoorde ook de wederopbouw van de krijgsmacht toe. Voor de Koninklijke Marine (KM) betekende dat voor de korte termijn onder meer de verwerving van mijnenvegers. Het gevaar van in de oorlog gelegde mijnen was acuut. Om de scheepvaart naar en van Nederlandse havens weer veilig op gang te brengen, was het mijnenvrij maken van de kustwateren noodzakelijk. Voor dat werk waren een klein aantal motormijnenvegers (105 voet lang) en 23 Duitse Raumboote beschikbaar. De Raumboote, door Duitsers bemand, werden onder Nederlands operationeel bevel gesteld. Van de Britse marine nam de KM tien kustmijnenvegers type BYMS over. Van de Raumboote zou de KM er in 1948 tien kopen. Om de bescheiden mijnenveegcapaciteit te vergroten werd in het vlootplan 1948 en in de daarop volgende plannen van de jaren vijftig uiteindelijk een mijnenveegvloot voorzien van 68 mijnenvegers. Deze schepen zouden deels worden overgenomen van de Verenigde Staten en voor het grootste deel worden gebouwd in Nederland. De bouw kon worden uitgevoerd met financiële steun in het kader van Amerikaanse hulpprogrammas zoals het Mutual Defense Assistance Program (MDAP). Tot die 68 nieuwe mijnenvegers behoorden ook de zestien ondiepwatermijnenvegers, bestemd voor het vegen van kustwateren en riviermondingen, die het onderwerp zijn van dit boek. In de periode 1958-1962 werden de zestien schepen van de Van Staelen-klasse naar een ontwerp van ir. H.J. Wimmers door drie Nederlandse werven gebouwd en opeenvolgend in dienst gesteld. De schepen werden genoemd naar marinemensen die in en na WO II werden onderscheiden, op één uitzondering na postuum, met de Militaire Willems-orde of de Bronzen Leeuw. De ondiepwatermijnenvegers deden dienst tot 1983. De gehele klasse werd toen om bezuinigingsredenen in een keer afgevoerd van de vlootsterkte. Auteur Bob Roetering, kapitein-ter-zee b.d., bracht een groot deel van zijn marineloopbaan door bij de Mijnendienst. Hij was zelf ooit commandant van ondiepwatermijnenvegers en voltooide zijn carrière als commandant Mijnendienst. Sinds zijn functioneel leeftijdsontslag in 1993 houdt hij zich onder meer bezig met de geschiedschrijving van de schepen van deze dienst. Dat doet hij op grondige wijze, maar ook met humor en met oog voor de mensen aan boord die het werk doen. Dit boek biedt alle denkbare informatie over de ondiepwatermijnenvegers. Het ontwerp, de bouw en de uitrusting worden uitvoerig en goed gedocumenteerd en geïllustreerd besproken. De samenstelling van de bemanning krijgt aandacht. Het proces van doop, proefvaren en indienststellen volgt daarna. Details over de bouw van het schip (Roetering sprak nog met scheepsbouwer Wimmers die vorig jaar overleed), de bouwwerven, de techniek van de veegtuigen, maar ook een opgave van de zestien doopsters maken dit boek ook tot een bruikbaar naslagwerk. In een apart hoofdstuk volgt de geschiedenis van de schepen per jaar. Die geschiedenis wordt niet verteld per individueel schip, maar per squadron of divisie met vermelding van de schepen die tot de eenheid behoorden. Tot de operaties van de schepen behoorden daadwerkelijk mijnenvegen tegen mijnen uit WO II (1964, 1967); jaarlijkse NATO- en nationale oefeningen; zomerreizen, vaak in Scandinavische wateren en rondom Engeland en Schotland; binnenlandse vlagvertoonreizen waarbij havens ver landinwaarts, zoals Roermond en Almelo, werden bezocht; opwerken bij de Mijnenbestrijdingsschool in Oostende; vaststellen van het magnetisch profiel van de schepen op de meetbaan in Wilhelmshaven en het maken van Rijnreizen ver Duitsland in. Het historisch overzicht wordt afgewisseld met daarin passende teksten zoals over de haven van Hellevoetsluis, van 1959 tot 1968 de thuisbasis van de ondiepwatermijnenvegers, de taken van een matroos-seiner, het navigeren en manoeuvreren met de schepen, de degaussinginstallatie en de stuurinrichting. Talloze anekdotes, met humor en ironie verteld, wekken de indruk dat het leven aan boord vaak het avontuur van een tot werkelijkheid geworden jongensdroom was. Niet zo verwonderlijk, gelet op de leeftijd van de meeste bemanningsleden en de commandant die onder de dertig jaar lag. Het boek wordt besloten met korte biografieën en fotos van de naamgevers van de schepen en informatie over de eindbestemming van de schepen na de marine (vijf gesloopt, drie in dienst bij zeekadettenkorpsen, twee in de marine van Peru, de overige woon- of rondvaartboot of onbekend). Aan het slot volgt enige informatie over ondiepwatermijnenvegers bij de Britse, Belgische, Duitse, Franse en Deense marine en een geestig en ook wat nostalgisch naschrift van de auteur. Met de gedegen introductie van marineplannen, bouw en oplevering van de schepen, alle gedetailleerde informatie over vegen en varen en de mensen aan boord, maar ook met zoveel kleurrijke verhalen en ruim 270 zwart/wit en ongeveer dertig kleurenfotos en tien tekeningen is geen beter of aantrekkelijker handboek over de ondiepwatermijnenvegers van de Van Straelen-klasse denkbaar.
Gerard M.W. Acda (oud-commandant ondiepwatermijnenveger) — De Blauwe Wimpel — 8 juni 2010
In de periode van 1960 tot 1984 voeren bij de Koninklijke Marine zestien kleine mijnenvegers van de Van Straelen-klasse, waarvan er meestal zes gelijktijdig in dienst waren gesteld. Deze ondiepwatermijnenvegers, ook wel liefkozend dinky toys genoemd, waren bestemd voor de mijnenbestrijding in riviermondingen en zeegaten. Desondanks waren het robuuste kleine zeeschepen die op de Noordzee, in het Kanaal en in de Oostzee volop hun bijdrage leverden aan de operationele taken van de Mijnendienst. Een groot aantal zeeofficieren heeft op deze schepen als jong commandant op indringende wijze de beginselen geleerd van ship handling en zeemanschap. Over deze scheepsklasse is in maart 2010 een boek verschenen. De auteur heeft twee eerdere publicaties op zijn naam: 90 jaar Mijnendienst (1997) en Werkpaarden van de Mijnendienst (2006). Bob Roetering is een autoriteit op het gebied van mijnenbestrijding. Tijdens zijn lange marineloopbaan heeft hij tal van varende plaatsingen en walfuncties bij de Mijnendienst gehad. Zijn laatste functie in actieve dienst was Commandant Mijnendienst van 1990 tot 1993. Hij heeft een zeer uitgebreid archief opgebouwd over mijnenbestrijding, mijnenvegers en mijnenjagers. Dit persoonlijke archief vormt de basis voor de boeken die hij heeft gepubliceerd. Dubbelingen met de eerder verschenen boeken van de hand van de auteur komen nauwelijks voor. Het nieuwe boek is geen uitbreiding van de informatie die in een vorig boek is beschreven, maar laat zich geheel zelfstandig lezen. In grote lijnen bestaat het boek Ondiepwatermijnenvegers uit drie delen. Ten eerste de beschrijving van de ontstaansgeschiedenis van de scheepsklasse met de plannen en tekeningen, de financiering en de bouwfase, zowel projectmatig als technisch en logistiek. Ten tweede de uitgebreide en gedetailleerde weergave van de operationele periode van de schepen, met een overzicht van de vele verrichtingen gedurende de jaren waarin deze schepen voeren. Ten derde een afronding met informatie over de naamgevers van de schepen en de fase van afstoting. Het boek is prachtig uitgevoerd op zwaar papier, gebonden in een harde omslag en geïllustreerd met een zeer groot aantal fotos, waarvan het overgrote deel in zwart-wit. De structuur van de hoofd¬stukken is overzichtelijk en de leesbaarheid is goed, mede door de indeling van de tekst in drie kolommen per pagina. Wat vooral opvalt aan de inhoud van het boek is de zeer gedetailleerde en complete kennis die de auteur heeft van deze scheepsklasse. Het is duidelijk dat hij niet alleen theoretische informatie vanuit zijn archief met de lezers deelt, maar ook zijn eigen praktische kennis en ervaring van vele zeereizen met deze mijnenvegers. Het boek bevat een schat aan fotos: detailopnames van alle apparatuur aan boord, fotos van de schepen op zee en in de havens, opnames tijdens de bouwperiode op de werven, fotos van bemanningsleden aan het werk en nog veel meer. De technische scheeps-installaties zijn uitgebreid en gedetailleerd beschreven, waarbij veel aandacht is geschonken aan de bouwfase van de schepen. Ook de operationele kant komt goed tot zijn recht: de werking van de verschillende mijnenveegtuigen en de wijze van opereren is duidelijk beschreven. De maritieme leek zal na het lezen zich redelijk goed kunnen voorstellen hoe mijnenvegen in zijn werk gaat. Het boek is daardoor beslist als compleet te kwalificeren: de auteur heeft zijn uiterste best gedaan alle relevante informatie over de schepen op te nemen. Er zijn nauwelijks witte vlekken te onderscheiden. Mocht ik al iets missen, dan is het hooguit een enkele foto van de hamer 6(B) van het akoestisch veegtuig. Door alle hoofdstukken heen is het boek gelardeerd met een groot aantal verhalen, anekdotes en verklarende teksten in grijs gemarkeerde tekstblokken. Vooral voor oud-bemanningsleden vormen deze blokken een feest der herkenning. Opvallend is de nadruk die de auteur legt op de personele aspecten van het leven en werken aan boord van deze schepen. Uitgebreid gaat hij in op de ervaringen die de leden van de bemanning aan boord hebben opgedaan. Zijn persoonlijke betrokkenheid bij het wel en wee van de bemanningen is richtinggevend voor de beschrijvingen in het boek. Overigens raak ik hier aan een beperkt nadeel van het boek. Doordat gemiddeld slechts zes van de dertien schepen in actieve dienst waren en door het kleine aantal bemanningsleden per schip (dertien man) hebben door de jaren heen relatief weinig marinemilitairen op deze kleine mijnenvegers gevaren. Het feest der herkenning valt daardoor aan minder oud-bemanningsleden toe dan bij soortgelijke boeken over kustmijnenvegers en mijnenjagers. Des te meer is waardering op zijn plaats voor de mate waarin de auteur zich heeft ingespannen dit boek samen te stellen. De doelstelling van de auteur is om een volledig en historisch verantwoord overzicht te geven van de ondiepwatermijnenvegers van de Van Straelen-klasse gedurende hun levensloop van ruim 25 jaar. De auteur heeft meer bereikt: hij heeft zijn grote en warme enthousiasme voor deze kleine schepen gedeeld met zijn lezers.
H. van Eijsden — Marineblad — 8 juni 2010
Kortgeleden verscheen bij uitgeverij Lanasta een boek over een bijzonder en weinig gekend type mijnenvegers van onze marine, de zogenaamde: Ondiepwatermijnenvegers. (mooi Scrabblewoord) Het betreft de Van Straelen-klasse, ook wel de Dinky Toys van de Mijnendienst genoemd. De auteur, Bob Roetering was in zijn actieve dienstijd bij de Koninklijke Marine meerder malen commandant van een ondiepwatermijnenveger, en nam als Commandant Mijnendienst in 1993 afscheid van de Marine. Zijn kennis en ervaring m.b.t. dit type mijnenvegers staat daarmee onomstotelijk vast en dat wordt ook weerspiegelt in de tekst van dit interessante boek. In 1955 besloot de Marine tot de bouw van deze ranke, mooi afgewerkt en tevens zeer zeewaardige schepen. Zestien zouden er worden gebouwd en waren bestemd voor de bestrijding van mijnen in de Nederlandse binnenwateren, de zeearmen en dicht onder de kust. Met een bemanning van 14 koppen was het hard werken, en bij zo'n kleine bezetting vallen de rangen en standen goeddeels weg, het was werkelijk alle hens aan dek. Met de nadruk op 'was', want de schepen zijn in het midden van de jaren tachtig buiten dienst gesteld. Momenteel zijn er nog steeds enkele in de vaart waaronder drie bij het Zeekadetkorps. Het is meer dan een interessant boek geworden, tenslotte gaat het om een relatief onbekend type mijnenvegers. Bovendien was varen op deze schepen voor veel marinemannen hun eerste kennismaking met de gemeenschap aan boord van een marineschip. Voor modelbouwers is het ook een interessant type omdat het om relatief snel varende schepen gaat en dat kan een spectaculair snelvarend scheepsmodel opleveren. Helaas biedt het boek daarvoor dan weer net te weinig informatie, wel een boven en zijaanzicht, zelfs een spantenraam is afgedrukt maar een lijnenplan ontbreekt alsmede de schaalaanduiding van de afbeeldingen. Mijns inziens een gemiste kans want het is een relatief eenvoudig scheepstype dat uitstekende mogelijkheden biedt voor de onervaren modelbouwer.
Jeroen van Zuidland — De Modelbouwer — 16 maart 2010
In het kort
ISBN-13
9789086160617
Uitgever
Verschenen
1 maart 2010
Serie
Imprint
Bibliografisch
Uitgave
Vorm & inhoud
ProductvormHardback BB
SamenstellingLos product
Classificatie
NUR (hoofd)Moderne geschiedenis (1870-heden) 686
NUR (alle)686 Moderne geschiedenis (1870-heden)
Medewerkers
Auteur A01Bob Roetering
Illustrator A12Dick de Vries
Herkomst
Werk-id (NSTC)500100135
MeldingBevestigd bij publicatie 03
Bijgewerkt6 augustus 2026
Lijkt op dit boek
NSTC 500100135 · CB-relatie 7600021 · Bijgewerkt 6 augustus 2026









