Alfred Scheepers
13 titels in de boekenbase · Vertaler · Auteur · Redacteur · 2005–2026
Over Alfred Scheepers
Alfred Scheepers staat met 13 titels in de boekenbase als vertaler en auteur en redacteur. Bekend van de series ‘Biografische kleinoden’ en ‘Fenomenologische bibliotheek’. Het werk valt vooral onder kunst algemeen, geschiedenis algemeen en oorlog en vrede. Verschenen tussen 2005 en 2026 bij Abraxas, Uitgeverij en Olive Press. Over het werk verschenen 5 recensies.
Edmund Husserl
Jos Augustus
E-book · 2026
A survey of Buddhist thought
Alfred Scheepers
Paperback · 2013
Italian frescoes
Ernest Kurpershoek
Italian frescoes
Ernest Kurpershoek
Paperback · 2013
Rudolf Otto, biografie
Daniël Mok
€ 9,90
Het boek van de thee
Kakuzo Okakura
€ 22,50
De onsterfelijkheid van het bewustzijn
William James
€ 16,95
De Yogasoetra van Patanjali
Alfred Scheepers
€ 19,95
De zesendertig oude Chinese krijgstactieken
Stefan Verstappen
€ 18,00
Welvaart zonder groei
Tim Jackson
Hardback · 2010
Lofrede op Florence
Leonardo Bruni
€ 17,00
De wortels van het Indiase denken
Alfred Scheepers
€ 22,95
The Lotus And the Sword
Alfred Scheepers
Paperback · 2006
An Orientation In Indian Philosophy
Alfred Scheepers
Paperback · 2005
Over het werk gezegd
De wortels van het Indiase denken / Alfred R. Scheepers; uit het Engels vertaald door de auteur; redactie, typografie en prepress: Uitgeverij Abraxas, Amsterdam; auteursondersteuning & eindredactie: Daniël Mok. Voorliggend leerboek beleeft in 2015 zijn derde herziene druk. Het is een inleiding in de geschiedenis van de klassieke Indiase filosofie. Het is in 2000 geschreven ter aanvulling van de leerstof Yoga Dipika (Licht op Yoga) voor leerlingen van het Iyengar Yoga Centrum in Amsterdam. De samenstellers geven geserreerde omschrijvingen en analyses van de esoterische systemen van het oude Indiase denken, zoals het pad van yoga, de leer van de Bhagavad Gita en de (advaita) vedanta. Yoga is gericht op het lichamelijke en geestelijke eenworden, waardoor de mens tot harmonie met de kosmos kan komen. De Bhagavad Gita, het lied van de Heer, behoort tot de grote wijsgerige geschriften. Het is opgenomen in de Mahabharata en bevat de dialogen tussen Sri Krishna en Arjuna over orde en gezag. De (advaita) vedanta is door Sri Adi Shankara in de zevende eeuw nieuw leven ingeblazen. Het is gericht op realisatie van het Zelf. Het bevat een overzicht van de uitspraak van Sanskriet en een verklarende woordenlijst. Het is een uitstekend geredigeerd leerboek. Het taalgebruik is zeer zorgvuldig. Biblion/NBD-recensie Ruud Booms
Ruud Booms — NBD/Biblion · over De wortels van het Indiase denken
Onlangs las ik een beroemd essay van William James (1842-1910): "Human Immortality: Two Supposed Objections to the Doctrine". Een werkelijk prachtig stukje werk, waarin hij een zeer originele bijdrage levert aan het hele debat over de mogelijkheid of onmogelijkheid van een onsterfelijke ziel. Het essay is feitelijk een lezing die James hield. De lezing begint dan ook met wat informeel blabla, maar dan komt James los. Hij stelt dat onze moderne cultuur een probleem heeft met het denken over a life hereafter. Het probleem is dat door fysiologen en in veel populaire wetenschappelijke werken en tijdschriften voortdurend wordt gesteld dat ons spirituele leven volstrekt afhankelijk is van hersenprocessen. Hoe kunnen we nog in een leven na de dood geloven als we naar menselijke gedragingen kijken, dan zien we dat menselijk bewustzijn sterk verbonden lijkt met hersenfenomenen. We weten dat bepaalde gebieden in de hersenen betrokken zijn bij zien, horen, spreken, etc. Dit leidt tot de centrale formule die James opstelt: Thought is a function of the brain. En hij vraagt het publiek (en daarmee de lezer) om deze formule uiterst serieus te nemen. De vraag die vervolgens echter rijst is, of deze formule logically compelling is om het geloof in onsterfelijkheid overboord te gooien. De meeste mensen, zo zegt James (en we kunnen het hem nog steeds nazeggen), zouden hier volmondig 'ja' op antwoorden. Ja, we moeten geloof in onsterfelijkheid overboord gooien als onze geestelijke vermogens te herleiden zouden zijn tot louter hersenprocessen. James echter meent dat het fout is en dat de formule in strict logic no deterrent power heeft. Het eerste punt is dat we veelal geneigd zijn om de relatie tussen onze geestelijke vermogens en het brein strikt te bekijken vanuit het perspectief van slechts één functionele afhankelijkheid, namelijk die van productie: dat denken een functie van het brein is, wordt equivalent gedacht aan uitspraken als "stoom is de functie van een waterkoker" of "licht is een functie van het electrische circuit" of "electriciteit is een functie van de waterval". De functie is in al deze voorbeelden productief: het een brengt het ander voort. En ja, als het orgaan wat de functie produceert ermee ophoudt, zodat de productie niet langer kan doorgaan, then the soul must surely die. Such a conclusion as this is indeed inevitable from that particular conception of the facts. James' these nu is dat when we think of the law that thought is a function of the brain, we are not required to think of productive function only; we are entitled also to consider permissive or transmissive function. Maar op wat voor manier moeten we ons die doorgevende functie van het brein voorstellen? Stel, zegt James, dat er onder de zichtbare werkelijkheid nog een onzichtbare werkelijkheid is, en dat onze zichtbare werkelijkheid slechts een vernislaagje is dat die andere wereld verbergt en terughoudt. En stel verder dat af en toe dat vernislaagje wat dunner wordt en iets van de stralen van die andere werkelijkheid doorlaat. These beams would be so many finite rays, so to speak, of consciousness, and they would vary in quantity and quality as the opacity varied in degree. Onze hersenen functioneren dus als een soort tv-toestel of radio dat signalen opvangt, filtert en omzet, en vervolgens in andere vorm (nl. beeld en/of geluid) doorgeeft. Ons bewustzijn is datgene wat wordt doorgegeven. Je ziet dus, zegt James, dat het materialisme een heel eenzijdige benadering van het woord "functie" heeft. En het zou wel van een zekere irrationaliteit getuigen als we een alternatief voor de materialistische visie moedwillig zouden negeren. Maar is deze visie dan niet strijdig met de wetenschap? Nee, zegt James, want als je goed kijkt naar de wetenschappelijke data, dan zie je dat die slechts kan aantonen dat bewustzijn vergezeld gaat van hersenactiviteiten en vice versa. Er is dus sprake van bare concomitant variation. Als de hersenactiviteit verandert, verandert de bewustzijnstoestand - maar opnieuw, impliceert dit logisch noodzakelijk dat de bewustzijnstoestand voortkomt uit, geproduceerd wordt door de hersenactiviteit? Nee dus. We zien slechts beide samen voorkomen, maar dat impliceert niet met logische noodzakelijkheid dat het een uit het ander voortkomt. Hier zien we dus dat James Hume's ideeën over causaliteit goed bestudeerd heeft. Bovendien, zegt James, kun je altijd een hersenwetenschapper de vraag stellen hoe die productie van bewustzijn door hersenactiviteit in zijn werk gaat. Je zult zien dat een hersenwetenschapper dan met de mond vol tanden staat. Maar hoe zit het nu met onsterfelijkheid? De transmissie-idee veronderstelt dat er altijd een "bewustzijnswerkelijkheid" is die achter of onder onze waarneembare werkelijkheid schuilgaat, en dat menselijke hersenen die werkelijkheid filteren en doorlaten, zodat iets ervan in onze werkelijkheid zichtbaar is namelijk als bewustzijn en levenskracht. Als onze hersenen echter defect raken of zelfs sterven, dan zal die bewustzijnswerkelijkheid zelf natuurlijk niet verdwijnen. De signalen zullen dan vervormd worden en wellicht zal ons bewustzijn verdwijnen (in de zin van niet meer zichtbaar zijn voor anderen). Maar de bewustzijnswerkelijkheid zelf blijft. Maar moeten we ervan uitgaan dat er slechts één bewustzijn is? Zou het niet zo kunnen zijn dat er verschillende "bewustzijnen" zijn, misschien net zoveel als er levende dingen zijn? Hier lijkt James een link te leggen met Aristoteles' idee van de ziel als de vorm van levende wezens. Want inderdaad, zegt James, hoewel wij altijd naar eenvoud streven, is het niet uit te sluiten dat er net zoveel bewustzijnen zijn als dat er levende wezens zijn. En dat, bovendien, al die bewustzijnen overleven na de dood. En dat geldt niet alleen voor mensen en dieren, maar - conform Aristoteles - voor alle levende dingen. Wie weet bestaat het bewustzijn van elk levend wezen wat ooit geleefd heeft nog steeds, hoewel we het niet kunnen waarnemen. Ergo, concludeert James, For my own part, then, so far as logic goes, I am willing that every leaf that ever grew in this world's forests and rustled in the breeze should become immortal. It is purely a question of fact: are the leaves so, or not? Abstract quantity, and the abstract needlessness in our eyes of so much reduplication of things so much alike, have no connection with the subject. For bigness and number and generic similarity are only manners of our finite way of thinking; and, considered in itself and apart from our imagination, one scale of dimensions and of numbers for the Universe is no more miraculous or inconceivable than another, the moment you grant to a universe the liberty to be at all, in place of the Non-entity that might conceivably have reigned. Het denken over de relatie tussen hersenen en de ziel in termen van transmissie, is een mogelijkheid die we niet kunnen uitsluiten, zegt James. Dat wel doen would be letting blindness lay down the law to sight. Ik heb hier slechts een fractie van de boeiende gedachtestrengen van James weergegeven - het loont werkelijk het hele essay zelf te lezen. Het interessante en actuele aan dit essay van James is bovendien, dat het zeer dicht in de buurt komt bij (door wetenschappers omstreden) ideeën die door bijvoorbeeld Pim van Lommel en Dick Mesland worden besproken.
Dr. Taede A. Smedes — Weblog over geloof en wetenschap · over De onsterfelijkheid van het bewustzijn
Aat-Lambèrt de Kwant Rudolf Otto Het kwetsbare leven Biografie Abraxas 2012 Vijfenzeventig jaar geleden overleed na een dramatische val van de toren van Stauffenberg Rudolf Otto (1869-1937). Verslaafd aan morfine, zwaar depressief en gesloopt door malaria, opgelopen tijdens een van zijn vele reizen, kwam er een einde aan het bewogen leven van deze Pruisische politicus, theoloog, filosoof en wereldvermaarde godsdienstkenner Louis Karl Rudolf Otto. In deze rubriek aandacht voor deze boeiende theoloog, die wat eigen ervaring en kwetsbaarheid betreft, zijn tijd vooruit was. 'Het kwetsbare leven' bevat een aantal documenten en artikelen over leven en werk van alto, die hoogleraar was in de systematische theologie aan een aantal Duitse universiteiten, waaronder Marburg. Naast de theologie van Barth, die weinig of geen belevinqsaspecten toelaat, plaatst Otto de metafysische beleving die hij volledig erkent en nauwgezet beschrijft. Zijn standaardwerk is 'Das Heilige' (1917), dat als misschien het beste theologische boek uit de twintigste eeuw wordt beschouwd. Na de verschijning hiervan maakte hij vele reizen naar Azië om daar de godsdiensten te bestuderen. Hoewel zijn christelijke achtergrond een belangrijke rol bleef spelen, erkende hij ook de andere godsdiensten als gelijkwaardig. Zijn intense zoektocht naar criteria voor religieuze waarachtigheid, en zijn voortschrijdende inzichten over de wisselwerking tussen de rationele en niet-rationele elementen in de religie, is kenmerkend voor zijn oeuvre. Hij introduceerde begrippen die later hun weg gevonden hebben in allerlei domeinen. Naast de theologie en religiewetenschap geldt dit ondermeer voor literatuur, kunst en psychologie, zoals bijvoorbeeld bij Jung. Voor wie Otto een onbekende is, krijgt door dit boek toch een duidelijk beeld van wie Rudolf Otto was, alsook een beeld van zijn grote betekenis.
Aat-Lambèrt de Kwant — Reflectie · over Rudolf Otto, biografie